Vrijstelling. Uitvoer · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

401 26 januari 1993

Zoeken

Vrijstelling. UitvoerBTW. Vrijstelling. Uitvoer

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/401-vrijstelling-uitvoer-annemans-4c6d

Nummer
401
Datum
26 januari 1993

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

16 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer G.Z., 1992-1993, nr. 049, blz. 4112

BTW - Vrijstelling - Uitvoer

VRAAG

Goederen bestemd voor verzending buiten het EG-grondgebied worden aan het laatste kantoor aangeboden met een aangifte ter uitvoer EX1. Dat document bestaat uit 3 exemplaren. De verificatie van de documenten en de goederen gebeurt op basis van die documenten voor goederen verzonden uit het vrije Belgische verkeer. Goederen verzonden uit een EG-lidstaat worden bij vertrek in de lidstaat geverifieerd door de douane aldaar en komen onder dekking van exemplaar 3 te Antwerpen aan. Bij de verscheping van de zending wordt de uitvoer vastgesteld door de douane, en vervolgens wordt dat exemplaar teruggezonden naar de buitenlandse exporteur of zijn vertegenwoordiger om het BTW 0-tarief te kunnen bewijzen.

Regelmatig worden te Antwerpen zendingen geleverd uit EG-lidstaten die bestemd zijn voor verscheping naar een derde land zonder dat daarvoor in het land van vertrek de vereiste formaliteiten zijn vervuld. Bij dergelijke onregelmatigheid worden de voorgeschreven formulieren EX1 toch aanvaard door de douane, maar die aanvaarding is geen garantie voor de exporteur met betrekking tot een regularisatie waardoor de BTW-vrijstelling wegens export kan worden bewezen.

1. Bent u op de hoogte van dergelijke onregelmatigheden?

2. Welke maatregelen heeft u al genomen om in de toekomst dergelijke onregelmatigheden te verhinderen?

ANTWOORD

De uitvoerprocedure van goederen in het vrije verkeer binnen de Europese Gemeenschap, van toepassing sedert 1 januari 1993, is gebaseerd op de artikelen 161, 182 en 183 van het Communautair douanewetboek, ingesteld door verordening EEG nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 Publikatieblad van de EG nr. L 302 van 19 oktober 1992.

en op verordening EEG nr. 3269/92 van de commissie van 10 november 1992 Publikatieblad van de EG nr. L 326 van 12 november 1992.

tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor voormelde artikelen.

Luidens de bepalingen van § 5 van artikel 161 moet de uitvoeraangifte worden ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor het toezicht op de plaats waar de exporteur is gevestigd of waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen; dat kantoor moet gelegen zijn in de lidstaat waar de exporteur is gevestigd. Afwijkingen van die bepalingen worden vastgesteld volgens de procedure van het comité douanewetboek, samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de commissie.

De door dat comité vastgestelde afwijkingen zijn opgenomen in de artikelen 2, 3, 4 en 7 van de voormelde verordening EEG nr. 3269/92. In artikel 4 is onder meer bepaald dat wegens naar behoren gerechtvaardigde redenen, een uitvoeraangifte kan worden aanvaard door een douanekantoor dat gelegen is in een andere lidstaat an die waar de exporteur is gevestigd en waar het vervoer met het oog op de uitvoer van de betrokken goederen een aanvang heeft genomen.

Luidens artikel 7 mogen goederen, die niet aan een verbods- of beperkingsmaatregel zijn onderworpen en waarvan de waarde per zending en per aangever niet meer dan 3000 ecu bedraagt, bij bet douanekantoor van uitgang worden aangegeven, zelfs indien dat kantoor is gelegen in een andere lidstaat dan die waar de exporteur is gevestigd. In België is die regeling niet toegestaan voor beroepsmatig handelende aangevers.

Wanneer het douanekantoor tegelijk kantoor van uitvoer en van uitgang is en gelegen is in een andere lidstaat dan die waarin de exporteur is gevestigd, moet dat douanekantoor een kopie van het uitvoerdocument zenden aan voormelde lidstaat met het oog op een eventuele controle a posteriori bij de exporteur.

In het licht van wat voorafgaat kan de in vraag gestelde procedure niet als onregelmatig worden beschouwd, gezien die niet in strijd is met de reglementaire bepalingen inzake uitvoer. Er hoeven bijgevolg geen maatregelen te worden getroffen.