Vr. en Antw., Kamer
Uitreiken van facturen - Termijn
VRAAG
Hoewel de faktuur in beginsel moet worden uitgereikt binnen vijf dagen na de maand die op de levering volgt, hebben tal van ondernemingen einde 1971 een achterstand opgelopen bij het opmaken van hun documenten.
Het zal dan ook wel vrij vaak voorkomen dat facturen uit het laatste kwartaal van 1971 niet in de BTW-boekhouding voorkomen, hoewel zij doorberekend zijn in de cijfers die ter staving van de aangifte voor het dienstjaar 1972, aan de controleur van belastingen toegezonden werden.
Gaarne vernam ik van de Minister dat de BTW-plichtigen hierdoor niet benadeeld zullen worden?
ANTWOORD
Het geval van de titularissen van vrije beroepen, van ambten, posten of andere winstgevende bezigheden buiten beschouwing gelaten (zie art. 30 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen), moet men, om de aangifte op te stellen inzake inkomstenbelastingen, in het omzetcijfer van de onderneming van een bepaald jaar, alle handelingen (leveringen van goederen, diensten, enz.) opnemen die zij verricht heeft gedurende dat jaar, zelfs indien, in feite, zekere facturen slechts in het begin van het volgend jaar werden opgesteld.
Op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde moet de belastingplichtige in zijn aangifte eveneens alle handelingen opnemen waarop de belasting is verschuldigd geworden tijdens de periode waarop de aangifte betrekking heeft.
Krachtens artikel 1, laatste lid van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, moet de factuur aan de afnemer in bepaalde gevallen onmiddellijk worden uitgereikt, en in de andere gevallen uiterlijk de vijfde werkdag na de maand, waarin de belasting is verschuldigd geworden.
Indien de factuur te laat wordt uitgereikt loopt de leverancier de geldboete op bepaald voor niet-uitreiking van de factuur (zie art. 70, §§ 2 en 4, van het BTW-Wetboek). Indien daarenboven de op bedoelde handeling verschuldigde belasting niet is opgenomen in de BTW-aangifte, die uiterlijk op 20 januari moet ingediend zijn wat de handelingen van de maand december of van het vierde kwartaal van het vorig jaar betreft, moet de betrokkene de toestand regulariseren in de eerstvolgende aangifte en is hij de geldboete wegens niettijdige betaling en nalatigheidsinteresten verschuldigd (zie art. 70, § 1, en art. 91, § 1, van het BTW, Wetboek).