Vr. en Antw., Kamer G.Z. 1977-1978 blz. 463
Werk in onroerende staat - Onroerend goed - Gebouw - Woning - Bouwmateriaal - Bouwsector - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Minimummaatstaf van heffing - Bouwmateriaal - Deskundige schatting - Bouwwaarde - Bewijs - Bouwdossier - Eigen werk in onroerende staat
VRAAG
De boete, opgelegd aan bouwers van huizen, omwille van een te geringe aangifte (art. 64, § 4, van het BTW-Wetboek) wordt vastgesteld zonder rekening te houden met het bedrag van de nog te voeren werken en zonder rekening te houden met de waarde die de administratie toekent aan het werk dat door de eigenaar zelf wordt uitgevoerd en/of door derden kosteloos wordt verricht.
ANTWOORD
Op die wijze worden de eigenaars, die de verdienste hebben eigenhandig meegewerkt te hebben aan de oprichting van hun huis, met een te zware boete bestraft in vergelijking met de huiseigenaars die voor alle uitgevoerde werken fakturen kunnen voorleggen.
Ik wilde aan de heer Minister vragen of de onderrichtingen niet gemilderd kunnen worden ten voordele van de zelfbouwers, namelijk door toe te laten dat, bij de berekening van het bedrag der boete in geval van te lage aangifte, wel rekening zou gehouden worden met de nog uit te voeren werken en met de zelf uitgevoerde werken.
Antwoord: Op grond van artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek wordt ieder pas opgericht gebouw geacht door een belastingplichtige te zijn geleverd ter uitvoering van één of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat waarvan, overeenkomstig artikel 36, § 1, b), van hetzelfde Wetboek, de maatstaf van heffing niet lager mag zijn dan de normale waarde zoals die is bepaald door artikel 32, 2de lid, van hetzelfde Wetboek.
Daarenboven wordt in artikel 59, § 2, van het BTW-Wetboek de deskundige schatting voorzien voor het bepalen van die normale waarde.
In een zelfde samenhang en ten aanzien van diezelfde diensten bepaalt artikel 70, § 5, van het BTW-Wetboek dat een geldboete ten bedrage van de aanvullende belasting wordt opgelopen wanneer een tekort wordt vastgesteld waarvan het bedrag gelijk is aan of groter dan een achtste van de maatstaf waarover de belasting werd voldaan;
Wanneer derhalve de bouwheer en de administratie akkoord gaan met een bedrag van ontoereikende maatstaf van heffing voor werk in onroerende staat dat betrekking heeft op de oprichting van een gebouw of wanneer een tekort door een deskundige is vastgesteld, dan slaat de aanvullende belasting uitsluitend en alleen op de door aannemers geleverde diensten.
Voor het vaststellen of de geldboete bepaald bij artikel 70, § 5, van het BTW-Wetboek al of niet is opgelopen wordt een verhouding berekend tussen het bedrag van de ontoereikende heffing en het bedrag van het werk dat door de aannemers werd gefactureerd .
Voor het werk in onroerende staat dat door de eigenaar zelf en/of met kosteloze hulp van familieleden bij de oprichting van het gebouw wordt verricht en het werk dat betrekking heeft op het nog niet voltooide gedeelte op de datum van betekening van het kadastrale inkomen, is er geen enkele bepaling op grond waarvan een BTW of geldboete zou kunnen verschuldigd zijn.
Met inachtneming van wat voorafgaat kan ik derhalve het geacht Lid verzekeren dat bij een eventuele toepassing van artikel 70, § 5, van het BTW-Wetboek er geen verschil van behandeling is ten aanzien van een ontoereikende maatstaf van heffing vastgesteld voor het werk in onroerende staat betreffende een gebouw dat door aannemers of gedeeltelijk door de eigenaar zelf en gedeeltelijk door aannemers is opgericht. De heffing van de aanvullende BTW en de opgelopen geldboete hebben alleen betrekking op de diensten geleverd door aannemers.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.