Parlementaire vraag nr. 338 van mevrouw Vanessa Matz d.d. 01.04.2021
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2020-2021, QRVA 55/052 d.d. 18.05.2021, blz. 187
Vraag nr. 338 van mevrouw de volksvertegenwoordiger Vanessa Matz van 01 april 2021 (Fr.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding:
Concurrentieverschil inzake btw tussen zelfstandigen en vzw's.
VRAAG
Vandaag zijn zelfstandigen die actief zijn in de opleidingssector logischerwijs aan de btw-reglementering onderworpen, tenzij hun omzet minder dan 25.000 euro bedraagt. In dat laatste geval komen zelfstandigen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor de vrijstellingsregeling. Het zijn voornamelijk zelfstandigen in bijberoep die zich in die situatie bevinden.
Een vzw die actief is in de opleidingssector zal daarentegen altijd een btw-tarief van 0 % genieten, ongeacht haar omzetcijfer.
Die situatie leidt kennelijk tot een werkelijke concurrentieverstoring, in die mate zelfs dat bepaalde beroepsbeoefenaars in de sector er steeds vaker voor kiezen om wat ik zou bestempelen als 'schijn-vzw's' op te richten, om zichzelf vervolgens een loon uit te keren.
1. Bevestigt u dit verschil in fiscale behandeling tussen zelfstandigen en vzw's die actief zijn in de opleidingssector?
2. Kunt u een duidelijke en officiële definitie verschaffen van wat er beschouwd kan worden als oneerlijke concurrentie en/of concurrentieverstoring?
3. Welk standpunt neemt de administratie in met betrekking tot deze situatie?
4. Wat is uw standpunt?
5. Kan men stellen dat twee entiteiten die diensten aan eenzelfde doelpubliek aanbieden, maar niet op dezelfde manier onderworpen zijn aan btw zich in een systeem van oneerlijke concurrentie bevinden? Zo ja, welke oplossingen zouden daarvoor overwogen kunnen worden?
ANTWOORD
van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 17.05.2021:
1 tot 3. Uw vragen hebben betrekking op de toepassingsvoorwaarden van de bepalingen van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek.
Ingevolge deze bepaling zijn vrijgesteld het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten;
Ter zake wordt opgemerkt dat de Wetgever er voor heeft geopteerd om gebruik te maken van de door artikel 133, eerste alinea, a), van richtlijn 2006/112/EG geboden mogelijkheid om de toepassing van de in artikel 132, lid 1, i), van diezelfde richtlijn - waarvan artikel 44, § 2, 4°, a), van het Wetboek de omzetting in Belgisch recht vormt - opgenomen vrijstelling afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat men niet systematisch het maken van winst mag beogen en dat eventuele winsten niet mogen worden uitgekeerd maar dienen te worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de vrijgestelde onderwijsdiensten.
Deze keuze werd ingegeven met als doel dat de vrijstelling slechts van toepassing kan zijn ten aanzien van privaatrechtelijke instellingen die onder dezelfde omstandigheden onderwijs verstrekken als publiekrechtelijke instellingen.
Onderwijs verstrekt door andere organisaties dan publiekrechtelijke lichamen is immers maar van de belasting vrijgesteld als deze organisaties soortgelijke doelstellingen hebben als de publiekrechtelijke lichamen, met andere woorden als zij onderwijs verstrekken en hierbij niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht.
Bijgevolg zijn zowel de handelsondernemingen, de ondernemingen met commerciële doeleinden als de ondernemingen zonder winstoogmerk waarvan uit de boekhouding evenwel op systematische wijze een winstoogmerk zou blijken en waarbij betreffende winst onder de leden wordt verdeeld, van de toepassing van deze vrijstelling uitgesloten.
4 en 5. Ik vind het belangrijk dat ondernemingen op een open en eerlijke manier met elkaar kunnen concurreren.
Ik merk evenwel op dat belastingplichtigen die geen btw moeten aanrekenen op hun diensten ingevolge een vrijstelling, evenmin recht op aftrek hebben van de voorbelasting geheven van goederen en diensten die aan hen worden verstrekt. Dit in tegenstelling met belastingplichtigen die hun diensten wel moeten belasten.
Zoals blijkt heeft de Wetgever nagestreefd om instellingen die in dezelfde omstandigheden werken op dezelfde manier te behandelen. Indien u echter kennis heeft van situaties waarin dit doel niet wordt bereikt, nodig ik u uit mij hierover te informeren zodat ik deze gevallen kan laten onderzoeken door mijn diensten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.