Personen met een handicap en autogebruik, Belastingvoordelen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

320 28 maart 2011

Zoeken

Personen met een handicap en autogebruik, Belastingvoordelen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/320-personen-handicap-autogebruik-belastingvoordelen-leen-eec7

Nummer
320
Datum
28 maart 2011

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

30 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 320 van mevrouw Leen Dierick d.d. 28.03.2011

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2010-2011, QRVA 53/028, d.d. 06.05.2011, blz. 47

Personen met een handicap en autogebruik - Belastingvoordelen

VRAAG

Op de website van de Federale Overheidsdienst Financiën staat volgende informatie vermeld:

"Onder welke voorwaarden heb ik als gehandicapte autogebruiker recht op de bestaande belastingvoordelen? U hebt recht op de bestaande belastingvoordelen indien u:

- de auto als uw persoonlijk vervoermiddel gebruikt;

- slechts over één voertuig tegelijk beschikt dat onder deze gunstregeling valt".

De voorwaarde van gebruik als persoonlijk vervoermiddel komt erop neer dat de persoon met een handicap het voertuig zelf moet besturen of erin aanwezig moet zijn als passagier.

Dit betekent in gezinsverband dat men twee opties heeft:

- kiezen voor het belastingvoordeel en de facto verplicht worden om een tweede wagen aan te schaffen;

- afzien van het belastingvoordeel omdat men ervoor kiest om slechts één wagen te hebben waarvan alle leden van het gezin ten allen tijde gebruik van kunnen maken.

Een belastingvoordeel dat tot doel heeft de verminderde mobiliteit van personen met een handicap enigszins te compenseren wordt voor een groot stuk teniet gedaan wanneer deze mensen deel uitmaken van een gezin.

Aan de andere kant stimuleert de overheid burgers om hun wagen in te ruilen voor het openbaar vervoer (bijvoorbeeld de nummerplaat inruilen in ruil voor abonnement De lijn) maar leiden fiscale maatregelen zoals deze tot precies het omgekeerde hetgeen volgens mij niet strookt met het streven naar duurzame mobiliteit.

ls het niet mogelijk om deze gebruiksbeperking niet te laten gelden voor de echtgen(o)ot(e) of wettelijk samenwonende partner van de persoon met een handicap en de ascendenten en descendenten in de eerste graad van personen met een handicap (ouders, kinderen van meerderjarige personen met handicap) als ook voor de broers/zussen van minderjarige personen met een handicap?

Op deze manier kunnen gezinnen waarvan een persoon met een handicap deel van uitmaakt ook ten volle meewerken aan duurzame mobiliteit.

ANTWOORD

(van de Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen d.d. 29.04.2011)

Krachtens artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WGB) en artikel 15, § 1, 2°, van het koninklijk besluit houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zijn de voertuigen die worden gebruikt als persoonlijk vervoermiddel door de groot-invaliden van de oorlog of door gebrekkigen vrijgesteld van de betaling verkeersbelasting. Deze personen genieten bovendien van een gunstregel inzake btw.

De verleende vrijstelling is beperkt tot één voertuig dat:

- bestemd is voor personenvervoer over de weg;

- gebruikt wordt om tegemoet te komen aan het gebrek of de ontoereikendheid van de persoonlijke voortbewegingsmiddelen van de invalide.

Het is dus niet de bedoeling geweest van de wetgever de vrijstelling te handhaven wanneer de voertuigen toevallig of afwisselend tot andere doeleinden worden gebruik. De wettelijke bepaling in kwestie wijkt immers af van het gemeen recht en moet strikt worden geïnterpreteerd.

Elke uitbreiding van de interpretatie van het beginsel "persoonlijk vervoermiddel" zou aanleiding geven tot misbruiken en zou niet te verantwoorden zijn tegenover de automobilisten die de volledige verkeersbelasting en btw moeten betalen.

Bovendien zou elke uitgesproken uitbreiding van de toepassing van betreffende gunstregelingen, zoals de afschaffing of een volledige versoepeling van de voorwaarde inzake het gebruik van het voertuig door de invalide of gehandicapte, niet alleen in strijd zijn met de basisprincipes van die regelingen maar zou ook de gunstregeling inzake btw in het gedrang brengen. De Europese Commissie heeft immers de toelating gegeven die fiscale gunstregeling te behouden op uitdrukkelijke voorwaarde dat België die regeling niet wijzigt.

Dit gezegd zijnde, is er niets dat belet dat de invalide of gehandicapte zich met het voertuig verplaatst in gezelschap van andere personen of dat hij, in zijn aanwezigheid, het besturen toevertrouwt aan een verwante of zelfs aan een derde.

In dit verband geeft de administratie echter blijk van een zekere tolerantie.

Als de invalide of gehandicapte niet zelf met de wagen kan rijden, is het evenwel evident dat de persoon die hem naar zijn werk of - als het een kind betreft - naar de school voert, zonder de invalide of gehandicapte met de wagen terugkeert naar het huis van laatstgenoemde en dat die persoon 's avonds weer vertrekt met het "lege" voertuig om betrokkene te halen. Dit is a fortiori ook zo voor het vervoer van de invalide of gehandicapte met het oog op zijn hospitalisatie, zonder onderscheid of betrokkene gewoonlijk al dan niet zelf rijdt. In deze context is de administratie er altijd van uitgegaan dat er een onmiddellijk verband is tussen die uitzonderlijke trajecten zonder de invalide of gehandicapte en de noodwendigheden van het persoonlijk vervoer van betrokkene, zodat die trajecten het voordeel van de fiscale gunstregelingen niet in het gedrang brengen.

Trouwens, in overeenstemming met het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 148/2007 van 28 november 2007, staat de administratie thans toe dat de vrijstelling van verkeersbelasting wordt toegekend aan een invalide die niet in staat is zelf het voertuig te besturen dat op zijn naam is ingeschreven en bestemd is voor zijn persoonlijke verplaatsingen, en die dat voertuig toevertrouwt aan een derde die daarvan gebruik maakt buiten zijn aanwezigheid, maar in de mate waarin dat gebruik wordt verantwoord door de onmogelijkheid van de betrokkene om zelf persoonlijk gebruik te maken van het voertuig ten bate van zichzelf.

Om tegemoet te komen aan het arrest van het Hof (nr. 148/2007), kent de administratie voortaan het recht op vrijstelling van de verkeersbelasting in de situatie precies zoals omschreven door het Grondwettelijk Hof in het voormeld arrest: ongeacht de aard van de verplaatsingen wordt de vrijstelling van de verkeersbelasting toegekend voor het voertuig dat wordt bestuurd door de echtgeno(o)te (of door een andere persoon die deel uitmaakt van het gezin) van de gehandicapte persoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven en die niet in staat is persoonlijk te sturen, op voorwaarde dat de gezondheidstoestand van die persoon het bezit van een voertuig vereist en het betreft het enig voertuig van het gezin.

Om te besluiten herinner ik er het geachte lid aan dat de verkeersbelasting sedert 1 januari 1989 een gewestelijke belasting is en dat een wijziging van de vrijstellingen ervan tot de exclusieve bevoegdheid van de Gewesten behoort.

Administratieve doctrine

3

« … op wiens naam het voertuig is ingeschreven (1) en die niet in staat is persoonlijk te sturen, op voorwaarde dat de gezondheidstoestand van die persoon het bezit van een voertuig vereist en het gaat om het enige voertuig van het gezin. (1) Zie onder meer de schriftelijke parlementaire vraag nr. 320 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Leen Dierick van 28.03.2011 . Voormelde bepalingen moeten eveneens worden toegepast met betrekking tot de fiscale voordelen inzake btw. 10. In de andere gevallen dan deze beoogd door het randnummer 9 (2) geldt het volgende. (2) Het gaat dan, bijvoorbeeld, om de gevallen waarin een … »

Circulaire 2019/C/23 betreffende het begrip 'gebruik als persoonlijk vervoermiddel' in het kaderOmzendbrief13.03.2019

Bekijk de 3 documenten