Horeca. Uitreiking ontvangstbewijs. Feestzalen bij cafetaria · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

31 10 september 1999

Zoeken

Horeca. Uitreiking ontvangstbewijs. Feestzalen bij cafetaria

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/31-horeca-uitreiking-ontvangstbewijs-feestzalen-cafetaria-116a

Nummer
31
Datum
10 september 1999

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

31 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 141, blz. 17823-17826

Horeca - Uitreiking ontvangstbewijs - Feestzalen bij cafetaria

VRAAG

Met toepassing van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, dient de belastingplichtige in de horeca aan zijn klanten rekening of ontvangstbewijs uit te reiken voor het verschaffen van maaltijden en dranken bij een maaltijd.

De uitbater van een cafetaria is hiervan vrijgesteld. Het valt echter regelmatig voor dat in feestzalen die bij cafetaria's horen, particulieren of verenigingen feestmalen organiseren waarbij de spijzen door een traiteur geleverd worden.

Dient er in die omstandigheden voor ieder die aan het feestmaal deelneemt een ontvangstbewijs te worden uitgedeeld?

ANTWOORD

In antwoord op zijn vraag heb ik de eer het geachte lid het volgende mee te delen.

Vooreerst dient te worden bevestigd dat, overeenkomstig de bepalingen opgenomen onder nr. 18, eerste lid, van de aanschrijving nr. 6 van 27 april 1999 die een uiteenzetting geeft van de verplichting bedoeld in artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, de verplichting tot uitreiking van een rekening of een ontvangstbewijs niet geldt voor de exploitant van een cafetaria die zich beperkt tot het verschaffen van lichte maaltijden die uitsluitend worden geserveerd met brood en die zijn vermeld in de in genoemd nr. 18 van de bovenbedoelde aanschrijving opgenomen lijst.

Wat betreft de organisatie van feestmalen is de hierboven beoogde exploitant daarentegen gehouden een rekening of een ontvangstbewijs uit te reiken voor zover hij, enerzijds, handelingen verricht in zijn inrichting (binneninrichting of in open lucht) en, anderzijds, voor zover de betreffende handelingen - die het verschaffen van maaltijden en van daarbijhorende dranken om ter plaatse te worden verbruikt tot voorwerp hebben - voor de toepassing van de BTW-wetgeving worden aangemerkt als een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het BTW-Wetboek.

Aangezien de vraag van het geachte lid hieromtrent geen nadere bijzonderheden geeft, worden hierna verschillende hypothesen gemaakt al naargelang de persoon waarmee de particulieren of de vereniging handelen bij de organisatie van het feestmaal. Deze laatsten kunnen namelijk een contract sluiten hetzij uitsluitend met de exploitant van de cafetaria, hetzij uitsluitend met de traiteur, hetzij met beiden, elk voor een deel.

Anderzijds, wat betreft de vraag of de rekening of het ontvangstbewijs moet worden uitgereikt aan ieder die aan het feestmaal deelneemt, kan worden gesteld dat wanneer er verschillende klanten zijn en één van hen de volledige uitgave bekostigt, slechts één document moet worden uitgereikt overeenkomstig het bepaalde in nr. 38 van de bovengenoemde aanschrijving. Dit laatste document moet bovendien het aantal verbruikte maaltijden vermelden. In het geval de vereniging de volledige uitgave op zich neemt, moet derhalve ook slechts één rekening of ontvangstbewijs worden uitgereikt. Indien daarentegen iedere particulier zijn deel van de prijs betaalt, moet aan elk van hen een document worden uitgereikt.

Wat betreft de verplichting tot uitreiking van een rekening of een ontvangstbewijs vindt u hierna de hypothesen waarnaar hierboven werd verwezen.

Eerste hypothese: er is slechts één contract gesloten, namelijk tussen de particulieren of de vereniging en de exploitant van de cafetaria.

In deze hypothese heeft het contract met de bovengenoemde exploitant zowel de terbeschikkingstelling van de zaal als het verstrekken van een maaltijd tot voorwerp.

Krachtens artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het BTW-Wetboek wordt de uitvoering van het contract dat deze handelingen tot voorwerp heeft, beschouwd als één dienstverrichting, zelfs wanneer de exploitant van de cafetaria een afzonderlijke prijs in rekening brengt voor de zaal, enerzijds, en voor de maaltijd, anderzijds.

Aangezien in onderhavig geval de betrokken exploitant de handelingen die worden aangemerkt als een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van hogergenoemd wetboek, verricht in zijn inrichting, is hij altijd gehouden een rekening of een ontvangstbewijs uit te reiken. Behalve de andere vermeldingen die op de rekening of het ontvangstbewijs moeten worden aangebracht, zal in onderhavig geval het door de klant verschuldigde of betaalde totaalbedrag (BTW inbegrepen) dat op de tekening of het ontvangstbewijs moet worden vermeld, eveneens de prijs van de zaal bevatten.

Bovengenoemde oplossing heeft bovendien bij toepassing van nr. 18, tweede lid, van de genoemde aanschrijving 6/1999 tot gevolg dat de betrokken exploitant een rekening of een ontvangstbewijs dient uit te reiken voor alle door hem verstrekte maaltijden, dus met inbegrip van de zogenaamde "lichte" maaltijden bedoeld in de lijst opgenomen onder genoemd nr. 18.

Er bestaat evenwel een uitzondering op deze regel voor zover de exploitant over volledig afzonderlijke inrichtingen beschikt, enerzijds, voor de organisatie van feestmalen en, anderzijds, voor het verstrekken van "lichte" maaltijden. Indien dit het geval is, moet hij geen rekeningen of ontvangstbewijzen uitreiken voor laatstgenoemde handelingen maar blijft hij uiteraard gehouden deze documenten uit te reiken voor het verstrekken van het feestmaal.

Anderzijds dient in de relatie tussen de exploitant van de cafetaria en de traiteur geen rekening of ontvangstbewijs te worden uitgereikt door deze laatste aan de bovengenoemde exploitant, zelfs wanneer de door de traiteur verrichte handeling een dienst is in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het BTW-Wetboek. In deze veronderstelling verricht de traiteur immers geen handelingen in zijn eigen inrichting (zie nr. 17, laatste lid, van de aanschrijving 6/1999).

De handeling zal in principe wel aanleiding geven tot het uitreiken van een factuur tussen de twee bovengenoemde belastingplichtigen.

Tweede hypothese: er is slechts één contract gesloten, namelijk tussen de particulieren of de vereniging en de traiteur.

Het contract met de traiteur heeft zowel de terbeschikkingstelling van de zaal als het verstrekken van een maaltijd tot voorwerp.

In deze hypothese wordt er uiteraard verondersteld dat de traiteur voorafgaandelijk van de exploitant van de cafetaria het recht van gebruik van diens zaal heeft bekomen met het oog op de bovengenoemde terbeschikkingstelling.

In dit geval, zoals trouwens blijkt uit het antwoord op de parlementaire vraag nr. 761, van 14 februari 1997 van de heer De Croo (zie Vragen en Antwoorden, Kamer, 1996-1997, nr. 76, 1 april 1997, blz. 1031110312; BTW-Revue, nr. 129, blz. 641-644), vormen de handelingen die de traiteur verricht in opdracht van de particulieren of van de vereniging één dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het BTW-Wetboek.

Anderzijds verricht de traiteur de handelingen in zijn inrichting aangezien hij van de exploitant het recht van gebruik van diens zaal heeft bekomen.

De traiteur is in deze hypothese steeds gehouden tot het uitreiken van een rekening of een ontvangstbewijs.

Derde hypothese: er zijn twee afzonderlijke contracten gesloten.

In deze derde en laatste hypothese hebben de particulieren of de vereniging twee contracten gesloten, het ene met de exploitant van de cafetaria dat de terbeschikkingstelling van de zaal tot voorwerp heeft, en het andere met de traiteur dat het verstrekken van de maaltijd tot voorwerp heeft.

Daar de verplichting tot uitreiking van een rekening of een ontvangstbewijs vreemd blijft aan de handeling die het voorwerp uitmaakt van het eerstgenoemde contract, is in het onderhavige geval enkel het tweede contract van belang.

Zelfs in het geval hij een dienst verricht in de zin van artikel 18 van het BTW-Wetboek, is de traiteur, in de relatie die uit dit tweede contract voortvloeit, niet gehouden tot het uitreiken van een rekening of een ontvangstbewijs. De traiteur verricht immers in deze laatste hypothese geen handelingen in zijn inrichting (zie nr. 17, laatste lid, van de aanschrijving 6/1999).

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 185 voorkomens
KB nr. 1 art. 221 voorkomen