Openbare verkopingen van roerende goederen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

309 17 juni 1981

Zoeken

Openbare verkopingen van roerende goederen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/309-openbare-verkopingen-roerende-goederen-valkeniers-9361

Nummer
309
Datum
17 juni 1981

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

13 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer

Openbare verkopingen van roerende goederen

VRAAG

Op 15 en 16 juni aanstaande werd de inboedel van het geklasseerd kasteel van Groot-Bijgaarden verkocht door het veilingshuis Christie uit Londen tot groot ongenoegen van onze eigen verkoopzalen.

Waar de kosten voor onze verkoopzalen normaal 30% bedragen zou dit voor Christie slechts 19% bedragen; hoe is dit mogelijk?

Zal er toezicht worden uitgeoefend door uw departement op deze verkoop?

ANTWOORD

Ter zake van openbare verkopingen van lichamelijke roerende goederen wordt het bedrag van het percentage van de toewijzingsprijzen dat gewoonlijk ten laste van de kopers wordt bedongen, niet door fiscaalrechtelijke bepalingen vastgelegd, evenmin overigens als het principe zelf van dat beding.

Het is echter wel zo dat het bedrag van dat percentage uiteraard kan worden beïnvloed door het verschil dat op het stuk van de toepasselijke belastingtechniek kan bestaan tussen de verkoping door een BTW-plichtige en deze gedaan door een niet BTW-plichtige.

Overeenkomstig artikel 77 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten zijn de openbare verkopingen van lichamelijke roerende goederen in de regel onderworpen aan het recht van 5%.

Indien dergelijke verkoping geschiedt op verzoek van iemand die handelt als belastingplichtige in de zin van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, is er als registratierecht enkel het algemeen vast recht verschuldigd (Wetboek Reg., art. 80, 1°). In deze hypothese valt de verkoping dan evenwel onder het regime van de belasting over de toegevoegde waarde die, in de regel, voor goederen zoals die waarover het ter zake gaat minstens 16% bedraagt.

Vermits er in het huidige geval bleek dat de inboedel van het kasteel geen verband hield met de uitoefening van de beroepswerkzaamheid en daaraan verbonden hoedanigheid van BTW-belastingplichtige in hoofde van de verkoper, was derhalve enkel het registratierecht van 5% verschuldigd, hetgeen dan ook het verschil kan verklaren tussen de kosten van 30% en 19% = 11% (16% - 5% = 11%)

Daar de akte van verkoping aan verplichte registratie onderworpen is, werd uiteraard te dier gelegenheid onderzocht aan welke belasting de verkoping van de kwestieuze goederen diende te worden onderworpen. Voor het overige werden, ter zake van de door het geacht Lid beoogde verkoping, de gebruikelijke administratieve regelen gevolgd.