Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen. verlaagd tarief · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

308 13 januari 2010

Zoeken

Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen. verlaagd tariefwerk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen. verlaagd tarief van 6 pct. ouderdom van de woning

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/308-werk-in-onroerende-staat-betrekking-af7d

Nummer
308
Datum
13 januari 2010

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

28 paragrafen

Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen

Verlaagd tarief van 6 pct

Ouderdom van de woning

VRAAG

Bij private verbouwingen betaalt de bouwheer normaal 21 procent btw.

Nochtans wanneer het om "oudere" woonhuizen gaat, dan geldt in principe het verlaagde btw-tarief van 6 %.

Voor een woning ouder dan 15 jaar is de vermindering sowieso permanent en voor woningen van minstens 5 jaar geldt dit verlaagde tarief blijkbaar ook nog tot minstens 31 december 2010.

In verband met de praktische berekening van de ouderdom van die private woningen of van die verbouwde kadastrale percelen rijzen evenwel de volgende algemene vragen.

1. Kan uw administratie meedelen of de ouderdom van de beoogde woningen moet worden berekend van dag tot dag, van maand tot maand of van (kalender)jaar tot (kalender)jaar met ingang vanaf de datum van de bouwaanvraag of de goedkeuring ervan, vanaf de respectievelijke data van de uitreiking of de betalingsdata van de (eerste) aankoopfacturen van de toenmalige nieuwbouw, vanaf de datum van de officiële ingebruikname of vanaf de betekening van het KI of hangt de praktische bepaling van de "begindatum" gemakshalve af van het aantal aanslagjaren dat de woningen reeds aan de onroerende voorheffing werden onderworpen?

2. a) Op welke praktische of pragmatische wijze moet de "einddatum" van de eerste vijfjarige periode worden bepaald? b) Gelden hier de respectievelijke data van de uitgevoerde verbouwingswerken, de datum van de goedkeuring van de prijsoffertes, de data van de uitreiking van de (eerste) voorschot- en eindfacturen en/of van de eerste of de achtereenvolgende betalingsdata?

3. a) Of, is het verlaagde btw-tarief eventueel reeds meteen van toepassing "vanaf" het vijfde jaar van de werkelijke eerste ingebruikname, van de private bewoning en/of van de domiciliëring zoals bekend in de bevolkingsregisters? b) Kan bijvoorbeeld een woning waarvan de nieuwbouw gestart werd eind 2004 en voor het eerst betrokken werd in november van het jaar 2005 reeds vanaf het begin van het kalenderjaar 2010 genieten van het verlaagde btw-tarief van 6 %?

4. Welke btw-ambtenaren of bevoegde controlekantoren moeten bij eventuele discussies daarover een definitief administratief oordeel vormen?

5. Wanneer en welke concrete bewijsstukken, aanvraagformulieren en/of attesten of verklaringen op erewoord en betalingsdocumenten moeten de bouwheer en/of de geregistreerde aannemers, naast een regelmatige factuur aan de btw-administratie voorleggen om aan te tonen dat ze aan de ter zake geldende btw-wetgeving en reglementering voldoen om te genieten van dit voorkeurtarief?

ANTWOORD

Krachtens rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 inzake btw-tarieven en de tijdelijke bepalingen van artikel 1bis van dit KB kunnen bepaalde werken in onroerende staat en daarmee gelijkgestelde handelingen aan privé-woningen, onder de gestelde voorwaarden, het verlaagd btw-tarief van 6 % genieten.

Inzonderheid is het vereist dat de bedoelde onroerende werkzaamheden verricht worden aan de hiervoor beoogde woningen waarvan de eerste ingebruikneming 5 tot 15 jaar (artikel 1bis) of minstens 15 jaar (rubriek XXXI van tabel A) teruggaat.

Van belang zijn dus enerzijds, de datum van eerste ingebruikneming van dat gebouw en, anderzijds, de datum van opeisbaarheid van de belasting die verschuldigd is met betrekking tot de handeling.

Eenvoudigheidshalve werd beslist dat de voorwaarde betreffende de periode van 5 of 15 jaar vervuld is wanneer de woning voor het eerst werkelijk ingebruik werd genomen in de loop van het vijfde of vijftiende kalenderjaar dat voorafgaat aan het tijdstip van opeisbaarheid van de verschuldigde belasting.

De btw voor het verrichten van een onroerende dienst is in principe opeisbaar en verschuldigd aan de Schatkist op het tijdstip van voltooiing van deze dienst behalve wanneer er zich eerder een subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid voordoet, te weten de facturatie of de incassering van de prijs of een gedeelte ervan (artikel 22 van het Btw-wetboek).

Voor onroerende werkzaamheden uitgevoerd in het jaar 2010 (bijvoorbeeld in januari 2010) wordt er zodoende van uitgegaan dat de voorwaarde inzake de periode van 5 jaar vervuld is wanneer het gebouw voor het eerst ingebruik werd genomen in de loop van het jaar 2005 (bijvoorbeeld in november 2005).

Bijgevolg kan het verlaagd btw-tarief van 6 % toegepast worden, voor zover uiteraard de overige voorwaarden zijn vervuld, voor de belasting die vanaf 1 januari 2010 opeisbaar is.

Overeenkomstig § 1, 5°, van bedoeld artikel 1bis en rubriek XXXI moeten de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd btw-tarief rechtvaardigen.

Alle bewijsmiddelen van het gemene recht, uitgezonderd de eed, kunnen worden aangewend om aan te tonen dat de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief zijn voldaan.

Zo kan een attest van de afnemer met de nodige vermeldingen ter rechtvaardiging van het verlaagd btw-tarief, waarvoor geen welbepaalde vorm of formulier is voorgeschreven, de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief ontlasten, behalve in gevallen van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van de regeling.

Bijkomende informatie omtrent bovenstaande bepalingen kan het geachte Lid vinden in de aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986, waarvan de grondprincipes nog steeds van kracht zijn.

Inzake btw wordt het administratief verhaal, wat niet geformaliseerd is, georganiseerd door de artikelen 84 en 84bis van het Btw-wetboek en door artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

De facultatieve procedure tot minnelijke regeling van een fiscaal geschil inzake btw, gebaseerd op artikel 84 van het Btw-wetboek, gaat de rechtelijke procedure, ingeleid door een verzet tegen de uitvoering van het dwangbevel, vooraf.

Zowel de minister, de centrale diensten als de gewestelijke en lokale diensten met bevoegdheid inzake btw zijn bevoegd om terzake een administratief standpunt in te nemen.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 842 voorkomens
WBTW art. 221 voorkomen
WBTW art. 84bis1 voorkomen

Administratieve doctrine

6

« … de berekening van die ouderdom rekening wordt gehouden met het kalenderjaar in de loop waarvan de woning voor de eerste keer in gebruik werd genomen en niet met de exacte datum van de eerste ingebruikneming (zie in die zin het antwoord op de parlementaire vraag nr. 308 van Mevrouw Ingrid Claes van 13.01.2010 , beschikbaar op Fisconetplus.be). Rekening houdend met de praktijken in de sector (waar de facturering van een voorschot minstens voor de belangrijke werven de algemene regel is), met de opeisbaarheidsregels van de belasting (die vóór alles op de … »

Circulaire 2022/C/65 betreffende de wijzigingen aangebracht aan het Btw-Wetboek en koninklijke besluitenOmzendbrief06.07.2022

Bekijk de 6 documenten