Vr. en Antw., Kamer
Verkoop van tweedehandse personenauto's - Maatstaf van heffing - BTW en inschrijvingstaks
VRAAG
Bij de tweedehandse verkoop van personenwagens aan particulieren moet steeds het BTW-tarief van 25% toegepast worden.
De basiswaarde waarop dit tarief moet toegepast worden verschilt dikwijls naargelang het BTW-taxatiekantoor waaronder de koper ressorteert. Voor het ene BTW-kantoor geldt als minimumwaarde de officile, door het Ministerie van Financiën medegedeelde cijfers, voor andere kantoren geldt de waarde welke door de handelaars wordt opgegeven, en nog andere kantoren passen waarden toe waarvan de oorsprong moeilijk kan achterhaald worden.
Graag vernam ik van de heer Minister of er ter zake eensluidende instructies werden overgemaakt aan de BTW-administratie, en zo ja, welke is de inhoud van deze richtlijnen.
Ter vergelijkende titel zou ik het op prijs stellen indien de heer Minister de minimumbedragen wilde bekendmaken waarop door de BTW-kantoren te Brussel, Kortrijk en Moeskroen, ambtshalve 25% wordt geheven, bij de tweedehandse verkoop van een Mercedes 200 Diesel, bouwjaar 1979.
ANTWOORD
De levering hier te lande door een BTW-belastingplichtige, die handelt in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid, van een tweedehandse personenauto is aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen tegen het tarief van 25%, eventueel verhoogd met de aanvullende weeldetaks van 8%.
De verkoop door een niet BTW-belastingplichtige van een personenauto is niet onderworpen aan de BTW. Daarentegen is iedere inschrijving in het Repertorium van de Dienst van het Wegverkeer van een personenauto onderworpen aan de inschrijvingstaks, welke een met het zegel gelijkgestelde taks is. Deze taks wordt berekend tegen hetzelfde tarief als de BTW.
Het beantwoorden van de door het geacht Lid gestelde vraag vereist dan ook het volgende onderscheid naargelang er BTW dan wel inschrijvingstaks verschuldigd is.
1. BTW--maatstaf van heffing
Voor tweedehandse personenauto's mag de maatstaf van heffing niet lager zijn dan de hierna vastgestelde percentages van de catalogusprijs:
- 65% indien de belasting verschuldigd wordt in de loop van het kalenderjaar waarin de auto voor het eerst in het verkeer is gebracht;
- 50% indien ze verschuldigd wordt in de loop van het jaar na dat waarin de auto voor het eerst in het verkeer is gebracht;
- 40% indien ze verschuldigd wordt in de loop van het tweede jaar na dat waarin de auto voor het eerst in het verkeer is gebracht;
- 35% indien ze verschuldigd wordt in de loop van het derde jaar na dat waarin de auto voor het eerst in het verkeer is gebracht;
- 30% indien ze verschuldigd wordt in de loop van het vierde jaar na dat waarin de auto voor het eerst in het verkeer is gebracht;
- 20% indien ze verschuldigd wordt in de loop van het vijfde jaar na dat waarin de auto voor het eerst in het verkeer is gebracht;
- 10% indien ze verschuldigd wordt in de loop van het zesde jaar na dat waarin de auto voor het eerst in het verkeer is gebracht.
In geen geval mag de maatstaf van heffing lager zijn dan 6000 fr. wanneer de belasting verschuldigd wordt voor het verstrijken van het tiende jaar na dat waarin de personenauto voor het eerst in het verkeer is gebracht.
Na die termijn voorziet de BTW-wetgeving in geen minimummaatstaf van heffing meer.
De hierboven vermelde minimummaatstaf van heffing (fractie van de catalogusprijs) dient enkel in aanmerking te worden genomen indien de tussen de partijen overeengekomen prijs, verhoogd met de lasten, minder bedraagt dan die fractie van de catalogusprijs.
Hieruit volgt dat indien de prijs verhoogd met de lasten hoger is dan die fractie van de catalogusprijs, of indien de belasting verschuldigd wordt na het verstrijken van het tiende jaar na dat waarin de personenauto voor het eerst in het verkeer is gebracht, de belasting wordt berekend over die prijs verhoogd met de lasten.
Voor de toepassing van wat voorafgaat moet als catalogusprijs in aanmerking worden genomen, ofwel de catalogusprijs die van toepassing was op het tijdstip waarop de wagen voor de eerste maal aan een gebruiker werd geleverd, of wel, indien hij lager is, de laatste catalogusprijs die vastgesteld werd voor het stopzetten van de verkoop van nieuwe personenauto's van hetzelfde type of voor het vaststellen van een liquidatieprijs.
Het zijn de constructeurs van de personenauto's die gehouden zijn aan de directeur-generaal van de administratie die bevoegd is voor de belasting over de toegevoegde waarde kennis te geven van de catalogusprijzen van de personenauto's die zij bouwen of invoeren, alsook van iedere wijziging in die prijzen.
Deze catalogusprijzen worden dan opgenomen in het Repertorium van de catalogusprijzen van de personenauto's. Deze publikatie kan door het publiek, tegen betaling, worden bekomen.
2. Inschrijvingstaks - maatstaf van heffing
De inschrijving in het Repertorium van de Dienst van het Wegverkeer van een personenauto door de koper is onderworpen aan de inschrijvingstaks, welke wordt geheven over de normale waarde van deze wagen op het tijdstip waarop de taks verschuldigd wordt, dat wil zeggen op de dag waarop het inschrijvingsbewijs wordt uitgereikt.
Onder normale waarde wordt verstaan de prijs die hier te lande, op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, voor het goed kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.
Die normale waarde moet, geval per geval, worden bepaald rekening houdend met alle elementen die de economische waarde van het voertuig op de dag van de uitreiking van het inschrijvingsbewijs kunnen beïnvloeden. Men zal dienaangaande niet uit het oogverliezen dat de voertuigen, waarvoor een inschrijving wordt gevraagd, uiteraard een zekere economische waarde moeten hebben, aangezien het rijwaardige voertuigen zijn.
Deze normale waarde mag evenwel niet lager zijn dan de onder punt 1 vermelde minimummaatstaf van heffing (fractie van de catalogusprijs), welke ook van toepassing is inzake inschrijvingstaks.
De hierboven uiteengezette regels moeten eenvormig worden toegepast op alle personenauto's van een zelfde type, zodat in principe, in het ganse land, dezelfde minimummaatstaf van heffing geldt voor de voertuigen van een zelfde type waarvoor de BTW of de inschrijvingstaks, onder gelijkaardige omstandigheden, verschuldigd is.
De door het geacht Lid, met betrekking tot het voertuig Mercedes 200 Diesel verstrekte gegevens zijn echter ontoereikend om met volledige kennis van zaken de maatstaf van heffing te bepalen waarover de eventueel verschuldigde BTW of inschrijvingstaks dient te worden berekend.
Indien het geacht Lid een welbepaald geval beoogt ben ik evenwel steeds bereid dit in concreto te laten onderzoeken. Hiertoe is het dan wel vereist dat hij mij alle vermeldingen laat geworden nodig voor het identificeren van het type personenauto. Naast de in mijn bezit zijnde gegevens is het aldus vereist te kennen: het aantal deuren, het aantal cilinders, de cilinderinhoud, de motorsterkte, het aantal versnellingen, het carrosseriemodel. Tevens dient hij mij in kennis te stellen van het tijdstip waarop deze auto voor het eerst in het verkeer werd gebracht alsmede het tijdstip waarop de BTW is verschuldigd geworden of de aangifte inzake inschrijvingstaks werd ingediend.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.