Vragen en Antwoorden, Kamer 2011-2012, nr. 49 d.d. 23.01.2012, blz. 13
Invordering
Achterstallige belastingschuld
Fiscale schuldvergelijking
Beginselen van behoorlijk bestuur
VRAAG
(van mevrouw Wouters)
De ontvangers van de FOD Financiën staan zowel de gemeenrechtelijke als bijzondere invorderingsmogelijkheden ter beschikking om achterstallige belastingschulden uit te winnen. Ingevolge artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004, kan een ontvanger ook schuldvergelijking inroepen tussen ongeveer elke fiscale vordering of vordering wegens onverschuldigde betaling van de belastingschuldige op de fiscus en elke fiscale of niet fiscale vordering van de fiscus op de belastingschuldige. De impact van de uitvoerende of bewarende maatregelen ten aanzien van de belastingschuldige of derden is veel ingrijpender dan de toepassing van schuldvergelijking. De keuze van het gebruikte rechtsmiddel roept een aantal vragen op ten aanzien van de aansprakelijkheid van de Staat.
1. Dient een ontvanger bij de FOD Financiën de invordering altijd derwijze uit te oefenen dat de belastingschuldige en derden zo weinig mogelijk nadeel ondergaan?
2. Indien een ontvanger bij de FOD Financiën een belastingschuld of niet-fiscale schuld invordert, is het normaal dat hij tegelijk loonbeslag en derdenbeslag legt?
3. Pleegt hij rechtsmisbruik wanneer hij niet het beslagen bedrag afwacht ingevolge het derdenbeslag, zodat hij kan uitmaken of de schuld kan worden voldaan, vooraleer over te gaan tot loonbeslag?
4. Pleegt hij rechtsmisbruik indien hij niet eerst bewarend derdenbeslag in eigen handen legt, alvorens over te gaan tot uitvoerend derdenbeslag bij derden, wanneer het nog niet opeisbare tegoed van de belastingschuldige de in te vorderen eisbare schuld overtreft?
5. Indien een ontvanger kan overgaan tot schuldvergelijking op grond van artikel 334 van de voornoemde Programmawet, pleegt hij rechtsmisbruik indien hij niet overgaat tot verrekening maar opteert om loonbeslag of derdenbeslag te leggen, wanneer het opeisbare tegoed van de belastingschuldige de in te vorderen som overtreft?
6. Indien een belastingschuldige een opeisbare achterstallige belastingschuld inzake inkomstenbelastingen heeft of de ermee gelijkgestelde belastingen en tegelijk een btw-teruggave:
a) waarbij de belastingschuldige verzoekt tot teruggave in de periodieke btw-aangifte, vindt dan schuldvergelijking plaats op grond van artikel 334 van de voornoemde Programmawet of op grond van artikelen 1289 en volgende van het Burgerlijk Wetboek?
b) waarbij de belastingschuldige niet verzoekt tot teruggave in de periodieke btw-aangifte: i. vindt dan schuldvergelijking plaats op grond van artikel 334 van de voornoemde Programmawet of op grond van artikelen 1289 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; ii. kan uw administratie bewarend beslag leggen in eigen handen?
ANTWOORD
(van de heer Vanackere, Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken)
1. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur gelden ten aanzien van het fiscaal bestuur. De fiscus moet in zijn relatie met de burgers met name het evenredigheidsbeginsel respecteren. Dat impliceert dat de Administratie verplicht is om van de bevoegdheden die haar zijn toegekend met de nodige redelijkheid en gematigdheid gebruik te maken. De vordering van de Administratie moet evenredig zijn aan het doel dat wordt nagestreefd. Bijgevolg moet de ontvanger er steeds over waken dat hij de invordering steeds derwijze uitoefent zodat de belastingschuldigen en derden zo weinig mogelijk nadeel ondervinden.
2. Het beoordelen van de opportuniteit van het gelijktijdig leggen van een loonbeslag en een ander derdenbeslag behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de betrokken ontvanger, die autonoom beslist over de toe te passen vervolgingen in het kader van de ter zake vigerende wettelijke bepalingen. Het staat hem immers vrij te kiezen op welk(e) goed(eren) in het patrimonium van zijn schuldenaar hij beslag legt. Uiteraard moet hij bij deze beoordeling niet alleen bepalingen toepassen, doch eveneens, rekening houdend met de concrete omstandigheden van een zaak (belangrijkheid van de schuld, en zo meer), het beginsel van de redelijkheid hanteren. Men mag ook niet uit het oog verliezen dat de ontvanger verantwoordelijk is, op zijn eigen goederen, voor de invordering van de fiscale schuldvorderingen.
3. Misbruik van recht bestaat met name in de uitoefening van een recht op een wijze die de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon kennelijk te buiten gaat. Het rechtsmisbruik hangt niettemin af van een appreciatie in concreto. Het is dus slechts na een onderzoek van het geheel van de concrete elementen van het invorderingsdossier in kwestie dat er een conclusie aangaande een eventueel rechtsmisbruik zou kunnen worden getrokken.
4. In het door het geachte lid vermelde geval, lijkt de procedure van bewarend derdenbeslag niet opportuun aangezien deze laatste essentieel de voorkeur geniet wanneer de fiscale administratie niet beschikt over een uitvoerbare titel waarin een schuldvordering - de schuldvordering die de oorzaak is van het beslag - is opgenomen die vaststaand en zeker is overeenkomstig artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer de administratie daarentegen beschikt over een dergelijke uitvoerbare titel, kan zij overgaan tot een procedure van uitvoerend derdenbeslag, niettegenstaande het feit dat de schuldvordering-voorwerp van het beslag - deze waarop het beslag slaat - nog niet opeisbaar is. De schuldvordering-voorwerp van het beslag moet inderdaad bestaan in het vermogen van de beslagene op de dag van het beslag, maar, overeenkomstig artikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek, kan het gaan om een schuldvordering met tijdsbepaling, een voorwaardelijke of betwiste schuldvordering, voor zover deze tot het vermogen van de beslagene behoort; het is dus niet vereist dat de schuldvordering die het voorwerp is van het beslag op de dag van het beslag zeker, eisbaar en vaststaand is.
5. Overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur vermeld in het antwoord op punt 1, is het aangewezen dat de Ontvanger eerst overgaat tot de schuldvergelijking op grond van artikel 334, Programmawet van 27 december 2004, zoals gewijzigd door artikel 194, Programmawet van 22 december 2008.
6. a) Indien de belastingplichtige in zijn periodieke aangifte de teruggave vraagt van zijn btw-krediet en dit krediet terugbetaalbaar is, kan dit zonder formaliteit en naar keuze van de bevoegde ambtenaar worden aangerekend ter betaling van fiscale of niet-fiscale schulden waarvan de inning en de invordering door de FOD Financiën wordt verzekerd, inzonderheid op een eisbare fiscale schuld inzake inkomstenbelastingen of ermee gelijkgestelde belastingen, op voorwaarde dat deze aanwending beperkt wordt tot het niet-betwiste gedeelte van de beoogde schulden. Het betreft in dit geval een compensatie uitgevoerd bij toepassing en volgens de voorschriften van het artikel 334, Programmawet van 27 december 2004, gewijzigd bij artikel 194, Programmawet van 22 december 2008 (hierna "uitgebreid artikel 334").
b) i. Het feit dat de belastingplichtige de teruggave van zijn btw-krediet niet vraagt in zijn periodieke aangifte verhindert zowel de toepassing van het uitgebreid artikel 334, als de toepassing van de artikelen 1289 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. De algemene regel inzake de werking van de lopende rekening voorziet immers in de overdracht van het belastingkrediet naar het volgende aangiftetijdvak (koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, artikel 81, § 1).
ii. Een dergelijke maatregel is theoretisch mogelijk.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.