Stelsel van medecontractant. Bouwondernemingen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

3-5537 27 juni 2006

Zoeken

Stelsel van medecontractant. Bouwondernemingen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/3-5537-stelsel-medecontractant-bouwondernemingen-brotcorne-bouwbedrijf-f102

Nummer
3-5537
Datum
27 juni 2006

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

21 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat, 2006-2007, nr. 3-83, blz. 9055-9057

Stelsel van medecontractant - Bouwondernemingen

VRAAG

Ik verneem dat bouwondernemingen onderworpen zijn aan het stelsel van uitstel van inning van de belasting tussen BTW-plichtigen.

In dat stelsel heft de ondernemer geen BTW op het bedrag van de onroerende werken die hij uitvoert voor rekening van een opdrachtgever die zelf BTW-plichtig is. Enkel de laatste betaalt BTW en vermeldt dit in zijn aangifte.

De toepassing van dat stelsel verhindert de ondernemer de BTW af te trekken die hij zelf heeft betaald. Hij moet daardoor, in de huidige stand van de wetgeving, instaan voor grote belastingoverschotten die slechts éénmaal in de drie maanden kunnen worden gerecupereerd.

Die situatie brengt de financiële toestand van vele bouwondernemingen in gevaar en dreigt ook hun rentabiliteit aan te tasten wanneer de bij de Schatkist te recupereren bedragen hoog zijn.

Dat systeem werd ingevoerd om de fiscale fraude te bestrijden. Toch zouden compensatiemechanismen kunnen worden ingevoerd naar het voorbeeld van wat in andere sectoren gebeurde.

Vindt de geachte minister het niet opportuun de prefinanciering van BTW die de bouwondernemers moeten betalen op hun aankopen, te verlichten door middel van de formule van de jaarlijkse terugbetalingen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, meent hij dan niet dat de maandelijkse recuperatie van de BTW-overschotten de rentabiliteit van de ondernemingen ten goede zou komen en zou zorgen voor een grotere stabiliteit van de werkgelegenheid? Zo neen, waarom niet? Zo ja, zal hij dan een initiatief in die zin nemen?

ANTWOORD

(vice-eersteminister en minister van Financiën)

Ik heb de eer het geachte lid het volgende mee te delen.

Artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 bekrachtigt inderdaad het systeem van de verlegging van de heffing van de belasting voor werk in onroerende staat en de ermee gelijkgestelde handelingen. Wanneer een aannemer dergelijke handelingen verricht voor een belastingplichtige medecontractant die gehouden is tot de indiening van een periodieke BTW-aangifte, moet de verschuldigde BTW niet voldaan worden door de aannemer zelf, maar wel door de medecontractant die de BTW betaalt en volgens de gewone regels onmiddellijk in aftrek brengt door ze op te nemen in zijn periodieke aangifte.

Deze bepaling beoogt het vrijwaren van een normale concurrentie door het bestrijden van de fiscale fraude in een sector waarin deze hoogtij vierde vóór de invoering van deze bepaling. Een gezonde concurrentie vormt een wezenlijke bijdrage tot de rentabiliteit van de bonafide ondernemingen.

Zoals het geachte lid terecht opmerkt, is het bedrag van de BTW waarvan de bewuste aannemer de schuldenaar is ten opzichte van de Staat voor de handelingen die hij verricht, vandaar meestal gering of nul, zodoende dat hij in de regel niet integraal de BTW die hij zelf heeft betaald aan zijn leveranciers in aftrek kan brengen van de door hem aan de Staat verschuldigde belasting. Het belastingkrediet dat er het gevolg van is, kan hem, in de huidige stand van de wetgeving, slechts driemaandelijks worden terugbetaald.

De last welke in hoofde van dergelijke aannemers eventueel het gevolg kan zijn van het bestaan van belastingkredieten die niet onmiddellijk worden terugbetaald, wordt evenwel gecompenseerd door de opheffing van de voorfinanciering van de BTW over hun uitgaande handelingen, in geval van laattijdige betaling door hun klanten. Inderdaad zijn, sinds de invoering van het stelsel van de verlegging van de heffing in de bouwsector, die aannemers er niet meer toe gehouden de BTW te betalen die opeisbaar is uit hoofde van de handelingen die zij verrichten. Welnu, het is genoegzaam bekend dat in de onroerende sector er dikwijls veel tijd verstrijkt tussen het ogenblik waarop de opeisbare BTW aan de Schatkist moet worden gestort door de dienstverrichter en dat waarop de klant de prijs van de handeling betaalt.

Het geachte lid vermeldt het bestaan van een afwijkende regeling op de driemaandelijkse terugbetaling van de belastingkredieten aan BTW. Dit stelsel van de maandelijkse terugbetaling, bedoeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake de belasting over de toegevoegde waarde, werd ingevoerd voor de belastingplichtigen die tijdens het vorige kalenderjaar voor ten minste 30 % van hun omzet handelingen hebben verricht die van de belasting zijn vrijgesteld op grond van de artikelen 39, 39bis of 39quater van het BTW-Wetboek of, binnen bepaalde voorwaarden en beperkingen, op grond van de artikelen 40, 41 en 42 van hetzelfde Wetboek. De genoemde bepaling beoogt de belastingplichtigen die goederen verkopen of diensten verrichten met betrekking tot goederen die worden vervoerd of verzonden buiten België.

Die maatregel werd genomen ter compensatie van de opheffing, op 1 januari 1993, van artikel 43 van het BTW-Wetboek dat in hoofde van de hiervoor vermelde belastingplichtigen voorzag in een vrijstelling van de belasting over de goederen en de diensten die hen werden geleverd of verstrekt en die zij bestemden voor de handelingen die zij verrichtten naar het buitenland toe. Deze opheffing van artikel 43 van het BTW-Wetboek werd ingegeven door de noodzaak om bepaalde maatregelen te nemen tegen de zogenaamde "carrousel-fraude" (zie de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, parl.st. Kamer, nr. 684/1 - 92/93, 14 oktober 1992, blz. 46).

Het plan om, zoals het geachte lid voorstelt, de toepassing van deze maatregel van maandelijkse terugbetaling te verruimen naar andere situaties toe, en meer in het bijzonder naar de ondernemingen in de bouwsector toe, botst evenwel op meerdere, belangrijke moeilijkheden.

Het invoeren van een dergelijke maatregel zou een overduidelijke discriminatie doen ontstaan ten opzichte van andere categorieën van belastingplichtigen die zich eveneens en bij herhaling zouden kunnen bevinden in een situatie van belastingkrediet aan BTW. Ik beoog hier meer bepaald de gevallen van de verlegging van de heffing van de belasting als bepaald bij artikel 51, § 2, van het BTW-Wetboek en inzonderheid de situatie van belastingplichtigen die niet in België zijn gevestigd, maar die wel over een BTW-identificatienummer in België beschikken en die bijgevolg periodieke aangiften indienen overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek. Die laatsten hebben inderdaad ook meestal een BTW-krediet.

Ik wil eraan toevoegen dat de praktijk van de verlegging van de heffing van de BTW in hoofde van de medecontractant van de niet (in België) gevestigde belastingplichtige zich, naar verluidt, steeds verder uitbreidt, rekening houdend met het duidelijke verlangen in hoofde van de Europese Commissie om in die richting verder te gaan. De discriminatie waarvan sprake in het vorige lid zal er slechts in dezelfde mate door versterkt worden.

Tot slot vereist deze vraag, rekening houdend met het grote aantal belastingplichtigen dat zou worden beoogd en met de aanzienlijke bedragen die op het spel zouden kunnen staan door deze veralgemening van het systeem van de maandelijkse terugbetaling, een ernstige analyse van de budgettaire impact van een dergelijke maatregel.

Aangehaalde teksten

11
WBTW art. 432 voorkomens
KB nr. 1 art. 201 voorkomen
KB nr. 4 art. 81 voorkomen
WBTW art. 391 voorkomen
WBTW art. 39bis1 voorkomen
WBTW art. 401 voorkomen
WBTW art. 411 voorkomen
WBTW art. 421 voorkomen
WBTW art. 511 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen