Vr. en Antw., Senaat
Sportclubs in de vorm van een VZW of een feitelijke vereniging - Gebruik van de gemeentelijke infrastructuur
VRAAG
Talrijke gemeenten verlenen aan sportverenigingen en met name aan voetbalclubs de toestemming om op grond die eigendom is van de gemeente, lokalen op te richten die bestemd zijn voor kleedkamers en vooral voor het inrichten van een cafeteria, die soms veel opbrengt.
Die clubs zijn heel vaak feitelijke verenigingen die niet de vorm van een VZW hebben aangenomen en bijgevolg geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Wie is de onroerende voorheffing verschuldigd in verband met die bouwwerken? Zijn natuurlijke en/of rechtspersonen personenbelasting verschuldigd? Wie dan? Of is de administratie van de Directe Belastingen tevreden met een eenvoudige betaling van de onroerende voorheffing door om het even wie?
ANTWOORD
De gebouwen, opgericht door een feitelijke vereniging krachtens een toelating tot bouwen en op een grond die toebehoort aan een gemeente, worden in de kadastrale bescheiden ingeschreven op naam van de leden van de vereniging. De onroerende voorheffing betreffende deze gebouwen wordt in dat geval op naam van een van de ingeschreven personen ingekohierd.
Bij ontstentenis van een akte of van een aangifte, waarvan sprake hierboven, worden de gebouwen op naam van de gemeente gebracht; de erop betrekking hebbende onroerende voorheffing wordt normaal ten laste van deze gemeente ingekohierd.
a) Inzake inkomstenbelastingen
Het belastingstelsel voor dergelijke feitelijke verenigingen verschilt naargelang deze al of niet tot doel hebben winst na te streven voor hun leden.
In de eerste veronderstelling betreft het verenigingen die bedoeld zijn in artikel 25, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. Overeenkomstig die bepaling zijn de opnemingen van de leden van die verenigingen zomede hun deel in de verdeelde of onverdeelde winsten op hun naam belastbaar.
Voor verenigingen die geenszins winst nastreven, zijn de eventuele ontvangstoverschotten in principe niet belastbaar, noch ten name van die verenigingen, noch ten name van hun leden. Die verenigingen dienen niettemin hun verplichtingen inzake bedrijfsvoorheffing en roerende voorheffing na te leven en, in voorkomend geval, de nodige inlichtingen te verstrekken met het oog op het belasten van derden.
Overeenkomstig de artikelen 228, 229 en 230 van voormeld wetboek mag de administratie der Directe Belastingen van de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid inderdaad inlichtingen vorderen die zij nodig acht voor de juiste heffing van de belasting.
Om haar onderzoeksrecht bij een feitelijke vereniging uit te oefenen, richt de administratie der Directe Belastingen zich tot de natuurlijke persoon die tegenover derden verschijnt als degene die het dagelijks bestuur van de feitelijke vereniging waarneemt (Senaat, zitting 1961-1962, doc. 366, blz. 296). Wel te verstaan blijft ieder lid gehouden tot de verplichtingen die voortvloeien uit zijn functie binnen de vereniging.
b) Wat de onroerende voorheffing betreft.
De belastingschuldige van de onroerende voorheffing wordt aangewezen in artikel 155 van hetzelfde wetboek. Hij wordt concreet bepaald op grond van de overeenkomst tussen de gemeente en de vereniging. De belastingschuldige is, naar het geval, de gemeente, de VZW of de leden van de feitelijke vereniging.
De betaling van de onroerende voorheffing wordt opgelegd aan de persoon of de entiteit die als belastingschuldige is aangewezen op grond van hetgeen voorafgaat. De administratie der Directe Belastingen is een derde ten opzichte van de eventuele overeenkomsten tot tenlastelegging van de onroerende voorheffing die tussen de gemeenten en de VZW of de feitelijke vereniging worden gesloten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.