Kosten van onthaal. Publiciteitskosten. Recht op aftrek · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

285 3 maart 2004

Zoeken

Kosten van onthaal. Publiciteitskosten. Recht op aftrek

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/285-kosten-onthaal-publiciteitskosten-recht-aftrek-79be

Nummer
285
Datum
3 maart 2004

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

18 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 038, blz. 5897-5899

Kosten van onthaal - Publiciteitskosten - Recht op aftrek

VRAAG

1.

a) Is het uw administratie bekend dat het Europese Hof van Justitie in zijn arresten van 17 november 1993, C-68/92 en C-73/92 onder het begrip "diensten inzake reclame" begreep "een promotieactiviteit zoals de organisatie van een cocktailparty of een banket, wanneer zo een activiteit neerkomt op een boodschap om het publiek in te lichten over het bestaan en de kwaliteiten van het aangeprezen product of de aangeprezen dienst met het doel de verkoop ervan te doen toenemen" ?

b) Geldt in geval van twijfel in deze niet het fiscaal adagium "in dubio contra fiscum", met andere woorden in geval van twijfel over het recht op aftrek, worden de kosten als publiciteitskosten aangemerkt en kan de belastingplichtige de BTW in aftrek brengen ?

2.

a) Heeft uw administratie het recht om de uitspraken van het Europese Hof te Luxemburg te weigeren toe te passen ?

b) Kan uw administratie een andere interpretatie toekennen aan communautaire begrippen zoals uitgelegd door het Hof van Justitie ?

c) Hoe dient volgens uw administratie de loyaliteitsverplichting ingevolge artikel 10 EG-Verdrag te worden uitgelegd en toegepast door uw administratie ?

d) Acht het Hof van Justitie het beginsel van gemeenschapstrouw toepasselijk zowel ten aanzien van de wetgevende, de rechtelijke als uitvoerende macht van de EU-lidstaten ?

ANTWOORD

(minister van Financiën, 23.06.2004)

1. Het is de administratie genoegzaam bekend dat het Europese Hof van Justitie in zijn arresten van 17 november 1993, C-68/92, C-69/92 en C-73/92, de diensten die betrekking hebben op de organisatie van recreatieve bijeenkomsten, cocktailparty's en dergelijke, wanneer deze handelingen de doorgifte van een reclameboodschap meebrengen of met die doorgifte onlosmakelijk verbonden zijn, voor de toepassing van artikel 9, lid 2, e) , tweede streepje, van de zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977, voor het geheel aanmerkt als "diensten op het gebied van reclame".

Deze kwalificatie belet echter niet dat betreffende diensten in hoofde van de ontvanger van de dienst onder de toepassing van artikel 45, § 3, 4° van het BTW-Wetboek kunnen vallen.

In de mate dat bedoelde diensten betrekking hebben op de ontvangst, het vermaak of de ontspanning van aan het bedrijf vreemde bezoekers, bestaande of potentie ¨le klanten, betreft het kosten van onthaal die overeenkomstig artikel 45, § 3, 4°, van het BTW-Wetboek niet voor aftrek in aanmerking komen, ongeacht het door de ontvanger van de dienst beoogde doel. Overigens wordt ervan uitgegaan dat kosten van onthaal bedoeld in voormeld artikel meestal om publicitaire doeleinden worden gemaakt.

2. Zoals blijkt uit het antwoord op punt 1 zijn de wettelijke bepalingen en de administratieve praktijk inzake kosten van onthaal niet strijdig met de principes zoals door het Europees Hof van Justitie uiteengezet in de zaken C68/92, C-69/92 en C-73/92.

Het communautaire begrip "diensten op het gebied van reclame" zoals dat door het Hof in de voormelde arresten werd toegelicht kadert immers louter in de bepaling van de plaats van dergelijke diensten waar door middel van een conflictregel (artikel 9, lid 2, e), van de zesde BTW-richtlijn) de bevoegdheden van de lidstaten inzake BTW-heffing op dergelijke diensten nauwkeurig wordt afgelijnd. De draagwijdte van deze arresten strekt zich dan ook niet uit tot die nationale bepalingen die de beperking van het recht op aftrek tot voorwerp hebben.

In casu moet dan ook worden geconcludeerd dat de administratie de rechtspraak van het Hof op een loyale manier toepast met respect voor de inhoud van de communautaire begrippen die daarin werden toegelicht; zodat de administratie bij haar optreden terzake van gemeenschapstrouw blijk geeft.

Aangehaalde teksten

6