Vr. en Antw., Kamer
Inschrijvingslaks op nieuwe of ingevoerde voertuigen - Verenigbaarheid met het E.E.G.-Verdrag
VRAAG
Ik ontving een antwoord van de Europese Commissie op een schriftelijke vraag van het Europees Parlement. Daaruit blijkt dat de Europese Commissie van oordeel is dat de Belgische wetgeving waarbij een «inschrijvingstaks» wordt ingevoerd op het verschil tussen de factuurprijs van nieuwe of ingevoerde voertuigen en de catalogusprijs daarvan de facto een herinvoering van de belasting over de toegevoegde waarde over een minimumbedrag vormt, die door het Hof van Justitie is veroordeeld in zijn arrest van 10 april 1984 in de zaak 324/82 (PB C 129 van 16 mei 1984 blz. 3). Vervolgens werd een procedure ingeleid tegen België. Welke is hierop de reactie van de Belgische regering? Wat doet ze met het oog op een nieuwe aanpassing van de betreffende wetgeving?
ANTWOORD
Naar aanleiding van een vraag van Europarlementslid Moreland antwoordde de heer Tugendhat op 13 maart 1984, namens de Europese Commissie, dat het in dit stadium van de tenuitvoerlegging van het belastingharmonisatieprogramma van de Gemeenschap de Lid-Staten nog vrij staat extra belastingen op motorrijtuigen te handhaven of in te voeren, op voorwaarde dat deze niet als omzetbelastingen kunnen worden aangemerkt en verenigbaar zijn met de desbetreffende artikelen van het Verdrag. Daarbij werd opgave gedaan van de Lid-Staten die naast de BTW speciale belastingen op motorrijtuigen voor personenvervoer heffen; benevens België werden nog Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Nederland genoemd.
De door het geacht Lid aangehaalde met het zegel gelijkgestelde taks is een autonome belasting totaal verschillend van de belasting over de toegevoegde waarde.
Gelet op hetgeen voorafgaat is de Belgische regering ten zeerste verwonderd over de houding die de Europese Commissie thans blijkt aan te nemen. Zij is het trouwens helemaal niet eens met de zienswijze van de Commissie zodat geen aanpassing van de betreffende wetgeving wordt overwogen.