Verlegging van de heffing. Artikel 20 van het koninklijk besluit · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

280 9 februari 1996

Zoeken

Verlegging van de heffing. Artikel 20 van het koninklijk besluitVerlegging van de heffing. Artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1. Reiniging en onderhoud van kantoren, kantoormeubelen, .... Facturering.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/280-verlegging-heffing-artikel-20-reiniging-7769

Nummer
280
Datum
9 februari 1996

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

14 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1995-1996, nr. 26, blz. 3032-3034

BTW-Revue nr. 122, blz. 526

Verlegging van de heffing - Artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 - Reiniging en onderhoud van kantoren, kantoormeubelen, ... - Facturering.

VRAAG

In het BTW-wetboek (artikel 19, § 2, 1°, b) en in het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (artikel 20, § 2, 3°) wordt met een werk in onroerende staat gelijk gesteld "herstellings-, onderhouds-, en reinigingswerk, indien dergelijk werk verricht door een andere belastingplichtige een volledig recht op aftrek van de belasting zou doen ontstaan".

1. Bevat het onderhoud- en reinigingswerk ook volgende diensten: het schoonmaken en onderhouden van burelen, zowel de bureelmeubelen als de muren en grondoppervlakten ?

2. Mag in dat geval de facturatie toegepast worden zoals voorzien in de regeling medecontractant (Aanschrijving 3/1979) en de beslissing gepubliceerd in de BTW-revue (nr. 114, 647) ?

ANTWOORD

Het herstellen, het onderhouden en het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, is een werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, 2e lid, van het BTW-wetboek, ongeacht overigens of er al dan niet een volledig recht op aftrek is van de ter zake van deze handelingen opeisbare belasting.

Dus is het reinigen en onderhouden van kantoren een werk in de onroerende staat in de zin van hetgeen voorafgaat en van artikel 20, §2, 1e lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, in de mate dat deze diensten betrekking hebben op bijvoorbeeld de muren, ramen, plafonds en vloeren van de kantoorgebouwen. Het onderhouden, reinigen en herstellen zijn bedoeld in artikel 20, § 2, 2e lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 in de mate dat de werken betrekking hebben op goederen in het kantoorgebouw die niet onroerend van aard zijn maar die bedoeld zijn in artikel 20, § 2, 2e lid, 1° of 2°, van het koninklijk besluit nr. 1. In de mate dat de onderhouds-, reinigings- en herstellingswerken evenwel betrekking hebben op andere goederen, zoals bijvoorbeeld kantoormeubelen, zijn ze geen werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, 2e lid, van het BTW-wetboek, en evenmin handelingen die in artikel 20, § 2, 2e lid, van het koninklijk besluit nr. 1 ermee worden gelijkgesteld voor de toepassing van de regeling van de verlegging van de heffing.

Wanneer de uitgevoerde onderhouds-, reinigings- of herstellingswerken worden bedoeld in artikel 20 van voormeld koninklijk besluit nr. 1, moet de regeling van de verlegging van de heffing van de belasting, uiteengezet in de administratieve aanschrijving nr. 3 van 1 februari 1979, worden gevolgd.

Wanneer slechts een deel van de werken valt onder de toepassing van voornoemd artikel 20, aanvaardt de administratie dat de regeling van de verlegging van de heffing wordt toegepast voor het geheel, voor zover het hoofdvoorwerp van het contract een door de regeling van de verlegging van de heffing beoogde handeling uitmaakt en, derhalve, de elementen van het contract die niet in de toepassingssfeer van deze regeling vallen slechts bijkomstig zijn.

Indien het hoofdvoorwerp van het contract een handeling betreft die niet bedoeld is door de regeling van de verlegging van de heffing en de belastingplichtige bijkomstig handelingen moet verrichten waarvoor artikel 20 van voormeld koninklijk besluit nr. 1 wel van toepassing is, moet de factuur worden uitgesplitst en is het uitgesloten dat de verlegging van de heffing wordt toegepast voor de hoofdhandeling. Daarentegen blijft in de regel deze verlegging van de heffing van toepassing voor de bijkomende handelingen bedoeld in bovengenoemd artikel 20.

De administratie zal in een dergelijk geval evenwel geen kritiek uitoefenen wanneer de belastingplichtige op de factuur eveneens de BTW aanrekent voor de bijkomende handelingen beoogd door de regeling van de verlegging van de heffing. In het geval de belastingplichtige gebruik maakt van deze tolerantie zal hij op de factuur een verwijzing aanbrengen naar de administratieve beslissing die deze werkwijze toelaat ("Beslissing van 12 juni 1995, nr. ET 84.160").

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 1 art. 203 voorkomens

Administratieve doctrine

1

« … van het BTW-Wetboek, of met werk in onroerende staat gelijkgestelde handelingen krachtens artikel 20, § 2, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1. Voor meer bijzonderheden terzake, wordt verwezen naar het antwoord dat ik heb verstrekt op de vraag nr. 280 van 9 februari 1996 van de heer F. Van den Eynde (Vragen en Antwoorden, Kamer, GZ 1995-1996, nr. 26, 18 maart 1996, blz. 3032-3034); b) dat de ondernemingen B, C en D belastingplichtigen zijn, die alszodanig handelen en gehouden zijn tot het indienen van periodieke … »

Verlegging van de heffing. Artikel 20 van het koninklijk besluitParlementaire vraag13.05.1996

Bekijk het document