Mondelinge parlementaire vraag nr. 27707 van mevrouw Griet Smaers d.d. 28.11.2018
Kamer, Integraal verslag - Commissie voor de Financiën en Begroting, 2017-2018, CRIV 54 COM 1003 d.d. 28.11.2018, blz. 14
Het concept zorgwonen in de Btw
Griet Smaers: Mijnheer de minister, zorgwonen doet blijkbaar heel wat vragen rijzen op het vlak van btw en geeft aanleiding tot praktische moeilijkheden.
Wij willen het concept zorgwonen zeker ondersteunen; dat is ook nodig, gelet op de vele uitdagingen door de vergrijzing. Die woonvorm is overigens niet alleen interessant voor ouderen, maar ook voor formules met jonge gezinnen, zoals het kangoeroewonen en het zorgwonen in groep. Een en ander zou best fiscaal en financieel worden ondersteund. Vlaanderen promoot zorgwonen ook, onder meer in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en in de geïntegreerde woonbonus. Daarbij creëert men in een bestaande woning een ondergeschikte wooneenheid voor hulpbehoevende of bejaarde personen, vaak ouders of grootouders. Soms zijn die personen fiscaal ten laste van de kredietnemer, maar vaak ook niet. Het deel van de woning dat wordt betrokken door personen die fiscaal niet ten laste zijn van de kredietnemer en die dus fiscaal geen deel uitmaken van zijn gezin, wordt op basis van de bijzondere financieringswet uitdrukkelijk aangemerkt als niet-eigen woning, artikel 5/5, § 4, lid 2 van de bijzondere financieringswet. Vlaanderen heeft bij de hervorming van de woonbonus rekening gehouden met het concept zorgwonen, waarbij het zorggedeelte en de hoofdwooneenheid als één fysiek geheel worden beschouwd.
Naast die maatregelen is er bijzonder weinig aandacht voor die vorm van wonen, onder andere in de btw. Blijkbaar hanteert de btw-administratie bij de toepassing van de 6 % btw bij renovatie, wel het criterium dat in het geval van uitbreidingswerken aan het oude gebouw, het oude gebouw qua oppervlakte groter moet zijn dan de helft van de totale oppervlakte na de uitvoering van de werken. In de praktijk wordt weleens vastgesteld dat de lokale btw-diensten dat criterium anders interpreteren bij zorgwoningen, met name wanneer oude gebouwen worden omgevormd tot zorgwoningen door er bijvoorbeeld een gedeelte aan bij te bouwen. Wetende dat de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vereist dat zo'n bijgebouw ten hoogste een derde mag bedragen van het totale volume, is het wel opmerkelijk dat hier verschillen bestaan tussen de lokale btw-diensten, die een andere interpretatie hanteren, en dat zorgwonen de facto wordt ontmoedigd op btw-vlak. Het is dus een probleem uit de praktijk gegrepen.
Mijnheer de minister, kunt u, ten eerste, verduidelijken welke algemene criteria de btw-administratie hanteert om het verlaagd tarief van 6 % bij renovatie in het kader van een omvorming van een oud gebouw tot zorgwoning toe te passen? Is er dan sprake van een circulaire? Indien niet, betekent zulks dat de administratie over geen enkel kader beschikt om het concept "zorgwonen" te beoordelen? In de veronderstelling dat er inderdaad algemene criteria bij de administratie voorhanden zijn, bent u er dan van op de hoogte dat de lokale btw-diensten verschillende interpretaties hanteren, wat het werk bemoeilijkt? Zo ja, zult u hiertegen optreden met een algemene circulaire of een wetgevend initiatief?
Minister Johan Van Overtveldt: Voor de omvorming van een oude woning tot een zorgwoning komt men slechts onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor het verlaagd btw-tarief van 6 %. Ik verwijs hiervoor naar het KB nr. 20 inzake de toepasselijke btw-tarieven en meer specifiek naar de bijlage, tabel A, rubrieken XXXI en XXXVIII.
Zodra de bedoelde werken in onroerende staat op een relevante manier gesteund zijn op de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw waarop ze betrekking hebben, zonder onderscheid met betrekking tot de benaming van die werking – omvorming, verbetering, herstelling, renovatie – vallen ze binnen het toepassingsgebied van het verlaagd tarief.
Wanneer de bestaande woning echter ook wordt uitgebreid, kunnen de onroerende werken slechts onder de hierboven beschreven voorwaarden worden beschouwd als een omvorming voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte opweegt ten aanzien van het nieuwe gedeelte.
Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan worden aangewend, maar het oude gedeelte aanvult en hiermee een geheel vormt. Indien dat niet het geval is, zijn deze werken te beschouwen als oprichtingswerken en zijn ze bijgevolg uitgesloten van de toepassing van het verlaagd tarief.
De administratie heeft tot op heden reeds meerdere commentaren gepubliceerd met betrekking tot deze bepalingen inzake verbouwingen van privéwoningen.
De lokale btw-diensten moeten in de praktijk geval per geval aan de hand van een geheel van gegevens beoordelen of een verbouwing
van een bestaand gebouw naar een privéwoning, in casu een zorgwoning, kan worden beschouwd als een verbouwing volgens de btw-reglementering. Een nieuwe circulaire over dat ontwerp dringt zich mijns inziens niet op, te meer daar het door de grote verscheidenheid aan situaties die zich kunnen voordoen, niet de bedoeling is om tot een casuïstiek van omvormingswerken te komen die de facto van het verlaagd tarief kunnen genieten, en een feitelijke appreciatie en inschatting, geval per geval, nog steeds de voorkeur geniet.
Griet Smaers : Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.
Het incident is gesloten.