Onroerende financieringshuur. erkenningsverplichting. financiële leasing tussen verbonden ondernemingen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

275 9 januari 2013

Zoeken

Onroerende financieringshuur. erkenningsverplichting. financiële leasing tussen verbonden ondernemingen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/275-onroerende-financieringshuur-erkenningsverplichting-financiele-leasing-d0b4

Nummer
275
Datum
9 januari 2013

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

28 paragrafen

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2012-2013, QRVA 53/100 d.d. 11.02.2013, blz. 100

Onroerende financieringshuur. - Erkenningsverplichting. - Financiële leasing tussen verbonden ondernemingen.

VRAAG

Vastgoedinvesteringen binnen een groep van (verbonden) ondernemingen worden soms gestructureerd via een financiële leasingovereenkomst. Een vastgoedvennootschap van de groep treedt dan op als leasinggever. Deze vastgoedvennootschap richt zich niet naar de vrije markt, verricht veelal slechts één onroerende leasing (of althans een zeer beperkt aantal) en heeft niet de intentie zich te specialiseren in dergelijke verrichtingen.

Vanaf 1 november 2012 moeten echter ondernemingen die onroerende leasingactiviteiten verrichten over een erkenning beschikken. Deze erkenningsplicht volgt uit de wet van 4 maart 2012 betreffende de Centrale voor Kredieten aan Ondernemingen.

1. Bevestigt u dat enkel de financiële leasingovereenkomsten door de nieuwe verplichting worden beoogd ingevolge de definitie van "leasingovereenkomst" in artikel 2, 6°, b) van de wet van 4 maart 2012 met verwijzing naar het Wetboek van vennootschappen, meer bepaald de post III.D "Leasing en soortgelijke rechten", dat enkel betrekking heeft op financiële leasingovereenkomsten?

2. Bevestigt u dat enkel de financiële leasingovereenkomsten, die voldoen aan de kenmerken a) tot en met e) van het gewijzigde artikel 1, 2° van het voornoemd koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur, door de nieuwe verplichting worden beoogd?

3. a) Dient een vastgoedvennootschap in de hiervoor omschreven omstandigheden zich voorafgaandelijk te laten erkennen overeenkomstig artikel 2, § 1, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1967?

b) Zo ja, wat is uw motivatie om in de geschetste situatie de erkenning te eisen?

c) Indien dit enkel volgt uit de gewijzigde wet, bent u bereid in een uitzondering op de erkenningsplicht te voorzien voor vastgoedvennootschappen die uitsluitend financiële leasingsovereenkomsten sluiten met verbonden ondernemingen?

d) Welke vorm dient deze uitzondering aan te nemen?

ANTWOORD

(van de heer Van de Lanotte, Vice-eersteminister en en minister van Economie,

Consumenten en Noordzee )

1. Artikel 2, 6°, b) van de wet van 4 maart 2012 betreffende de Centrale voor Kredieten aan Ondernemingen (hierna WCKO), definieert de leasingovereenkomsten die in de centrale dienen te worden geregistreerd als deze in de balans worden geboekt onder de post III.D "Leasing en soortgelijke rechten" overeenkomstig artikel 95, § 1, van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen.

Er bestaat geen wettelijke definitie van "financiële leasing". In het kader van de WCKO heeft men geopteerd voor de boekhoudkundige definitie van leasing. Van zodra de desbetreffende boekhoudkundige voorwaarden zijn vervuld, dient de verrichting in de balans te worden opgenomen en medegedeeld aan de CKO. Enkel deze leasingverrichtingen vallen onder de meldingsplicht aan de CKO.

De facto heeft de wetgever de financiële leasing beoogt. In de memorie van toelichting wordt immers volgende gesteld: "Aangezien operationele leasing buitenbalans wordt geboekt, wordt de registratie van deze leasingvorm momenteel niet voorzien. Het is evenwel niet uitgesloten dat op termijn in het kader van nieuwe internationale standaarden voor jaarrekeningen (International Financial Reporting Standards - IFRS) deze leasingvormen wel in de balans moeten opgenomen worden. In dat geval zou de opname van operationele leasingovereenkomsten in de CKO in acht kunnen genomen worden." ( Parl. St. Kamer, 2011/2012, DOC 53 1850/001, p. 8), alsook "(...) het doel van de CKO-wetgeving bestaat er in engagementen aangegaan via leasing en die vergelijkbaar zijn met kredieten, met name financiële leasing, op te nemen in de globale rapportering van de financiële verplichtingen en daaropvolgend tevens het signaleren van wanbetalingen" ( Parl. St. Kamer, 2011/2012, DOC 53 1850/001, p. 18).

2. De activiteiten waarvoor een erkenning nodig is, zijn de "roerende leasing" zoals gedefinieerd in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit (KB) nr. 55 van 10 november 1967 tot regeling van het juridisch statuut der ondernemingen gespecialiseerd in financieringshuur (hierna KB nr. 55) en de "onroerende leasing" zoals gedefinieerd in artikel 1, 2°, van het KB nr. 55. Van zodra de vijf respectievelijke criteria vervuld zijn, betreft het een activiteit die onderworpen is aan de erkenning. Indien men een andere activiteit beoogt, bijvoorbeeld een contract met gebruiksrechten op roerende of onroerende goederen zonder effectieve aankoopoptie, valt men niet langer onder het toepassingsgebied.

Volledigheidshalve dient er op gewezen te worden dat ook in het KB nr. 55 geen definitie is vervat van "financiele" leasing als dusdanig. Wel kan gesteld worden dat er in beginsel overeenstemming zou moeten zijn tussen de voorwaarden in artikel 1, 2°, van het KB nr. 55 en de voorwaarden van rubriek III D van voornoemd KB van 30 januari 2001.

3. a) Artikel 2, § 1, van KB nr. 55 bepaalt dat: "Hij die zijn gewoon beroep ervan maakt in artikel 1 omschreven handelingen van financieringshuur of "leasing" te verrichten, mag deze bezigheid slechts uitoefenen nadat hij de erkenning heeft bekomen van de minister van Economische Zaken." De wet van 4 maart 2012 voorzag in een overgangsperiode van 6 maanden voor wie al voordien dergelijke handelingen van "onroerende leasing" verrichtte.

De FOD Economie heeft in het verleden, voor wat betreft de "roerende leasing", steeds geoordeeld dat men op basis van bovenvermeld artikel in beginsel binnen het toepassingsgebied van bovenvermeld KB nr. 55 valt van zodra men de desbetreffende leasingcontracten sluit in het raam van zijn beroepsactiviteiten (met andere woorden niet voor privé-doeleinden), ongeacht of dit al dan niet bijkomstig is bij zijn hoofdactiviteit. Enige uitzondering die werd aanvaard door de administratie, is het geval waarbij het een éénmalige operatie betreft door een onderneming die dit niet als maatschappelijk doel heeft opgenomen in zijn statuten.

In het bijzonder wordt nu de vraag gesteld of een "vastgoedvennootschap" die optreedt als leasinggever en slechts één of een beperkt aantal verrichtingen van "onroerende leasing" uitoefent, een erkenning nodig heeft.

Het KB nr. 30 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur, dat de voorwaarden voor onroerende leasing onder de BTW-regels aangeeft, bepaalt eveneens dat de leasinggever een onderneming moet zijn gespecialiseerd in onroerende financieringshuur.

De BTW administratie licht dit als volgt toe Circulaire AOIF 10/2007 van 12 april 2007, § 53:

"De onroerende financieringshuur is evenwel een werkzaamheid die, door haar aard, wordt uitgeoefend gedurende een lange periode en die aanleiding geeft tot het betalen van periodieke huurvergoedingen op vastgestelde vervaldagen. Het betreft dus een geregelde werkzaamheid in de zin van artikel 4 van het Wetboek, die aan degene die ze uitoefent (fysiek persoon of rechtspersoon) de hoedanigheid van belastingplichtige verleent gespecialiseerd in financieringshuur of onroerende leasing, in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Wetboek, zelfs wanneer deze slechts eenmaal een dergelijke overeenkomst afsluit."

Omwille van dezelfde argumenten die maken dat de vastgoedvennootschap met slechts één verrichting in casu voor de btw aanzien wordt als een voldoende gespecialiseerde leasinggever om het btw voordeel te genieten, kan een dergelijke vennootschap voor de CKO wetgeving en KB nr. 55 eveneens als een beroepsmatig gespecialiseerde vennootschap worden beschouwd en zou deze bijgevolg onderworpen zijn aan de plicht een erkenning aan te vragen.

b) Het doel van de aangepaste CKO wetgeving is onder meer de CKO te voorzien van de inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een goede evaluatie door de financiële instellingen van de risico's verbonden aan hun activiteit van kredietverlening. In dat kader werd de verplichting tot registreren uitgebreid naar leasing- en factormaatschappijen. Om te bepalen welke leasingmaatschappijen aan de registratieverplichting in de CKO moeten voldoen, was het noodzakelijk om over een lijst van erkende maatschappijen te beschikken en hiernaar te verwijzen. Aangezien er voor onroerende leasing geen afzonderlijke erkenning bestond, zouden enkel leasingmaatschappijen die ook roerende leasing aanbieden en aldus over een erkenning KB nr. 55 beschikten, aan de verplichting tot rapportering moeten voldoen. Dit zou mogelijk een probleem geven met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en daarenboven tot gevolg hebben dat de CKO gegevens een onvolledig beeld zouden geven van de via kredietverlening aangegane verbintenissen en risico's. Vandaar dat de erkenning van leasingmaatschappijen onder het KB nr. 55 werd uitgebreid met onroerende leasing.

c) en d) Het is bijgevolg niet de bedoeling om hiervoor een uitzondering te voorzien. Het probleem is echter dat de desbetreffende teksten, voortgaand op de bewoordingen van het KB nr. 55, niet voldoende duidelijk zijn. Een fiscale omzendbrief met betrekking tot btw-voorwaarden die zijn eigen finaliteit heeft, kan in dit opzicht geen afbreuk doen aan de formele erkenningsvoorwaarden opgenomen in een niet-fiscale wetgeving, met name het KB nr. 55. De CKO-wet biedt geen verdere toelichting in dit opzicht en werd daarenboven ontworpen zonder voorafgaand overleg met de FOD Economie, verantwoordelijk voor het KB nr. 55.

De FOD Economie heeft inmiddels de problematiek aangekaart met de betrokken instanties. Ik ben bereid om verder overleg te plegen met mijn bevoegde collega's om indien nodig een gemeenschappelijke communicatie te doen over de draagwijdte van de specifieke doelstellingen van de verschillende wetgevingen, in het bijzonder de WCKO én de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Een verduidelijking van het KB nr. 55 lijkt mij in ieder geval wenselijk.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 55 art. 12 voorkomens
KB nr. 55 art. 21 voorkomen