BTW-carrousel. Goede trouw · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

272 20 februari 2004

Zoeken

BTW-carrousel. Goede trouw

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/272-btw-carrousel-goede-trouw-viseur-830b

Nummer
272
Datum
20 februari 2004

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

17 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 28, blz. 4350-4352

BTW-carrousel - Goede trouw

VRAAG

Het gebeurt dat belastingplichtigen die geheel te goeder trouw zijn (daarmee bedoelen wij: die een bestaand goed daadwerkelijk gekocht hebben en de leverancier de gevraagde prijs hebben betaald) ongewild verstrikt geraken in een BTW-carrousel.

Als de leverancier met de noorderzon vertrokken is zonder de geïnde BTW aan de Schatkist door te storten, richt de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) naar verluidt haar pijlen op de BTW-plichtige die te goeder trouw gehandeld heeft, en stelt ze zijn recht op aftrek van de betaalde BTW ter discussie.

Dat soort situaties doet zich met name voor in de autohandel, en brengt de BTW-plichtige die te goeder trouw is, in een bijzonder lastig parket: hij wordt als medeplichtige aan de BTW-carrousel beschouwd, terwijl hij die weliswaar mee gefinancierd heeft, maar zonder het te weten! Met de door de BTW-plichtige betaalde BTW is een oplichter aan de haal. De betrokken belastingplichtige zou dat geld nu niet in mindering mogen brengen; de aftrek wordt geweigerd omdat hij zogezegd een door een BTW-carrousel "bezoedeld " goed heeft gekocht en doorverkocht. De belastingadministratie beschuldigt de belastingplichtige in feite van een soort "culpa in eligendo", omdat hij niet zorgvuldig zou zijn geweest bij de keuze van zijn leverancier en nagelaten zou hebben deze te screenen.

1. Meent u niet dat het juist eigen is aan een oplichter die naam waardig dat hij zelfs de meest alerte medemens een rad voor ogen kan draaien?

2. Wie is er eigenlijk onzorgvuldig; is het niet in de eerste plaats de administratie die met de BTW-carrousel voor een stuk wordt bedrogen?

3. Vindt u daarenboven dat de belastingadministratie de gewone belastingplichtige onzorgvuldigheid mag verwijten terwijl het hele carrouselsysteem net jarenlang berustte op de afgifte door de BTW-administratie van een toestemming tot vrijstelling conform het indertijd vigerende artikel 43 van het BTW-Wetboek, en die toestemming daarbij soms wel erg lichtvaardig, zonder voorafgaand onderzoek, verleend werd aan belastingplichtigen die nog nooit goederen uitgevoerd hadden of met wie een BTW-geschil hangend was?

4. Vindt u het billijk dat de administratie, als ze haar gram niet kan halen bij een insolvente fraudeur, zich tegen de belastingplichtige die te goeder trouw is keert, ook al kan die bij een strafrechtelijk onderzoek vaak aantonen dat hijzelf het argeloze slachtoffer was van het fraudemechanisme?

ANTWOORD

(minister van Financiën, 09.04.2004)

1, 2 en 4. Allereerst wens ik het geachte lid erop te wijzen dat in geval van invordering (verwerping van de aftrek) bij een tussenpersoon in het kader van een carrouselfraude, meestal niet het fysieke bestaan van de goederen, noch de werkelijkheid van de betalingen in twijfel worden getrokken, maar wel het bestaan van leveringen in de zin van artikel 10 van het BTW-Wetboek.

In dit opzicht wordt het geachte lid in het bijzonder verwezen naar het arrest gewezen door het Hof van Cassatie op 12 oktober 2000 (AFP Entreprises Prouve, voorheen genoemd Artificial Flowers Production, contra Belgische Staat, Pasicrisie 2000, I, 543). In onderhavig geval heeft het Hof gesteld dat een overeenkomst die bedoeld is om fraude te plegen jegens derden, in casu de Staat wiens rechten worden beschermd door wetten van openbare orde, een ongeoorloofde oorzaak heeft en volstrekt nietig is. Als het gaat om het algemeen belang, is het voldoende dat één van de partijen bij het sluiten van het contract ongeoorloofde oogmerken had en is het niet nodig dat de medecontractant daarvan op de hoogte is.

Hetzelfde arrest verduidelijkt nog dat inzake het recht op aftrek, het de belastingplichtige, die een recht op aftrek wil laten gelden, toebehoort aan te tonen dat de belasting waarvan hij geheel of gedeeltelijk teruggaaf wil verkrijgen geheven is van goederen en diensten die hem effectief zijn geleverd en die hij heeft gebruikt voor het verrichten van handelingen beoogd in artikel 45 van het BTW-Wetboek.

Het mechanisme van de carrouselfraude is overigens geen recent fenomeen. Het heeft reeds het voorwerp uitgemaakt van diverse publicaties en berichtgevingen in de pers.

Het geachte lid zal bijgevolg moeten erkennen dat een behoorlijk voorzichtige belastingplichtige zich zou moeten bevragen wanneer een leverancier, die hij nauwelijks kent, hem voorstelt om zich te engageren in een commercieel circuit en om goederen - die zijn inrichting niet doorlopen hebben - te factureren aan een niet op voorhand gekende koper.

3. Daar het geachte lid zich baseert op eventuele tekortkomingen van de administratie bij de toepassing van een wettelijke bepaling die overigens reeds opgeheven is vanaf 1 januari 1993, viseert hij klaarblijkelijk een specifiek geval. Het staat hem vrij, indien de zaak actueel nog van belang is, mij de betreffende elementen in feite en in rechte voor te leggen. Dit op voorwaarde dat de zaak intussen nog niet voor het gerecht gebracht is.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 101 voorkomen
WBTW art. 431 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen