Vr. en Antw., Kamer, 1999-2000, nr. 34, blz. 3950-3952
Laattijdige kwartaalopgave - Boete
VRAAG
Verscheidene zelfstandigen die exporteren - met name naar Frankrijk - hebben moeilijkheden met de Administratie van de BTW omdat zij de kwartaalopgave van intracommunautaire leveringen laattijdig indienen.
Sommigen, die zorgvuldiger zijn dan anderen, wachten tot zij over de juiste en nagekeken lijst beschikken alvorens die in te dienen. Anderen die zich dan weer aan de vooropgestelde termijn houden maar onjuiste nummers meedelen, worden niet bestraft.
1. Is een dergelijke houding van de Administratie niet discriminerend?
2. a) Zal uw departement tegen dergelijke praktijken optreden en, zo ja, op welke manier?
b) Zo neen, waarom niet?
3. Over welke mogelijkheden om daartegen beroep aan te tekenen beschikken de belastingplichtigen in dat geval?
4. a) Houdt een dergelijke houding van de Administratie geen belemmering van het vrij verkeer in de Europese Unie in?
b) Hoe luidt de Europese regelgeving terzake?
ANTWOORD
Alvorens op een meer precieze wijze te antwoorden op de vragen van het geachte lid, past het, in eerste instantie, zijn aandacht te vestigen op hetgeen volgt.
De problematiek van de geldigheid van het door een andere lidstaat aan de koper toegekend BTW-identificatienummer is op de eerste plaats vooral verbonden met de toepassingsvoorwaarden van de vrijstelling van de intracommunautaire leveringen van goederen als bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW-Wetboek en vandaar, met het recht, voor de Belgische leverancier, om te genieten van deze vrijstelling voor de intracommunautaire leveringen van goederen die hij verricht.
De vrijstelling waarvan hiervoor sprake is inderdaad, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992, afhankelijk van, behoudens het bewijs van de verzending of van het vervoer van de goederen naar een andere lidstaat (eerste toepassingsvoorwaarde van de vrijstelling), het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere lidstaat (tweede toepassingsvoorwaarde van de vrijstelling).
De bewijslast van het vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden van de vrijstelling rust op de Belgische leverancier.
Echter, wat betreft de tweede toepassingsvoorwaarde - met betrekking tot de hoedanigheid van de koper van het goed -, die kan enkel worden nagegaan door de Belgische leverancier aan de hand van het door een andere lidstaat toegekende BTW-identificatienummer en dat de koper hem meedeelt.
De Belgische leverancier die met vrijstelling van BTW verkoopt aan een klant uit een andere lidstaat en die twijfelt aan de geldigheid van het nummer dat hem door de klant is verstrekt, heeft er dan ook alle belang bij de juistheid van dit nummer na te gaan en dat, op het moment zelf waarop hij die handeling verricht.
1 en 2. Gegeven dit alles, is de geldboete, bepaald in artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek, in geval van een overtreding inzonderheid van artikel 53sexies van het voormelde wetboek, toepasselijk zowel in geval van niet tijdige indiening van de opgave van de intracommunautaire handelingen als in geval van onregelmatigheden met betrekking tot die opgave en meer precies, wanneer de gegevens die krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 50 van 29 december 1992 moeten worden meegedeeld, onjuist zijn.
Het bedrag van die geldboete wordt vastgesteld in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993, in rubriek IX, punt 2, in geval van het niet tijdig naleven van de verplichting (naargelang de duur van de vertraging, 1.000 tot 5.000 frank per persoon die in een andere lidstaat voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, met een maximum van 50.000 frank) en punt 4, in geval van de mededeling van onjuiste gegevens (geldboete van 2.000 frank per persoon die in een andere lidstaat voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, met een maximum van 100.000 frank).
3. Op grond van artikel 9 van het regentsbesluit van 18 maart 1831, kunnen de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde beslissen over verzoeken die de vermindering of de kwijtschelding van de geldboeten waarvan sprake hiervoor tot voorwerp hebben.
4. Het staat elke lidstaat vrij om de sancties in deze naar eigen inzichten te bepalen. Er bestaan, wat dit betreft, geen voorschriften op Europees vlak.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.