Advocaten. Belastingplicht. Communautair recht · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

252 7 oktober 1992

Zoeken

Advocaten. Belastingplicht. Communautair rechtAdvocaten. Belastingplicht. Communautair recht.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/252-advocaten-belastingplicht-communautair-recht-clippele-36a1

Nummer
252
Datum
7 oktober 1992

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

15 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1992-1993, nr. 35, blz. 2399

Advocaten - Belastingplicht - Communautair recht.

VRAAG

Zullen de Belgische advocaten vanaf 1 januari 1993 BTW-plichtig zijn ?

ANTWOORD

Als belastingplichtigen in de zin van artikel 4 van de 6de richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting, kunnen de advokaten, in de mate dat hun diensten vrijgesteld waren vóór het in werking treden van deze richtlijn op 1 januari 1978, hetgeen het geval was in België, de afwijking genieten voorzien in artikel 28, § 3, b, van deze richtlijn, waarbij de Lid-Staten gedurende een overgangsperiode in bepaalde gevallen kunnen blijven afwijken van de normale regeling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Aangezien deze facultatieve afwijkingen slechts werden mogelijk gemaakt om de Lid-Staten en die sektoren van het economisch leven die ervan profiteren de beschikking te geven over de nodige tijd om de vereiste aanpassingen aan te brengen, dienen ze, in het kader van een eenheidsmarkt, vanzelfsprekend te verdwijnen.

Alhoewel er reeds een aantal door de Raad van de Europese Gemeenschappen werden ingetrokken in de 18de richtlijn van 18 juli 1989 (89/465/EEG), moeten andere, waaronder deze met betrekking tot de advokaten en andere beoefenaars van vrije beroepen, nog worden opgeheven.

In juli laatstleden, werd door de Commissie in die zin een voorstel van richtlijn ingediend bij de Raad.

Aangezien de besprekingen met betrekking tot dit onderwerp nog maar net begonnen zijn, kan de richtlijn waarschijnlijk niet meer voor 1 januari 1993 door de Raad worden goedgekeurd.

Daaruit volgt dat België niet verplicht zal zijn op die datum de advokaten aan de belasting over de toegevoegde waarde te onderwerpen.

De gevolgen van deze belastingplicht, en het geachte Lid zal het met mij eens zijn dat deze niet te verwaarlozen zijn, worden thans onderzocht.

Inderdaad, een nauwgezet onderzoek is noodzakelijk, in het bijzonder wat betreft het BTW-tarief dat van toepassing zal zijn op de diensten van advokaten, gezien de onvermijdelijke invloed die deze factor zal hebben op de toegang tot de rechtsmacht.

Ik zal derhalve hieromtrent mijn collega van Justitie moeten raadplegen.

Om deze reden en omdat ik, zonder ertoe verplicht te zijn door een Europees voorschrift, geen regime wil invoeren dat afbreuk zou kunnen doen aan de goede werking van het beroep in kwestie, kan ik mij thans onmogelijk uitspreken over de definitieve datum waarop de advokaten aan de belasting over de toegevoegde waarde zullen worden onderworpen. Deze datum dient in elk geval ten laatste deze te zijn die zal vastgesteld worden in de hierboven genoemde richtlijn.