Vr. en Antw., Senaat
Invoer van bedrijfsmiddelen met verlegging van de BTW-heffing - Aankoop hier te lande met betaling van de BTW - Concurrentieverstoring
VRAAG
Volgens artikel 43 van het Wetboek van de BTW kan men bij de aankoop van grond- en hulpstoffen in binnen- of buitenland een vrijstelling van de BTW bekomen ten belope van maximum 90 pct. en dit op basis van het aandeel van de produktie dat wordt uitgevoerd.
Volgens de aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 (+ bijwerking 1978) kan, mits het betalen van een waarborg, voor alle ingevoerde produkten de BTW-heffing verlegd worden naar het binnenland, d.w.z. dat de BTW niet dient betaald te worden bij de invoer aan de grens, maar geregeld wordt bij de BTW-aangifte, d.w.z. aangegeven als te betalen en aftrekbaar, wat een nuloperatie is.
Indien een onderneming echter een belangrijke investering doet in machines, dan kan zij, gesteld dat alle andere voorwaarden ongeveer dezelfde zijn, er belang bij hebben de aankoop in het buitenland te plaatsen. Bij aankoop in het binnenland is immers artikel 43 van het Wetboek niet van toepassing (geen grond- of hulpstoffen zijn) noch de aanschrijving nr. 3 (geen invoer) zodat de BTW moet geprefinancierd worden gedurende ongeveer drie maanden.
Is de geachte Minister niet van mening dat:
1) deze regeling een benadeling inhoudt voor binnenlandse producenten van investeringsgoederen;
2) er ook voor deze investeringen een gunstiger BTW-regeling noodzakelijk is?
ANTWOORD
Het geachte Lid vraagt zich af of de wijze van betalen van de ter zake van invoer verschuldigde BTW niet leidt tot het scheeftrekken van de concurrentievoorwaarden tussen de hier te lande gevestigde leveranciers van bedrijfsmiddelen en de buitenlandse leveranciers van dergelijke goederen. Hij geeft daarbij inzonderheid als oorzaak op de verlegging van de betaling bij invoer, waarvan de toepassingsmodaliteiten zijn bepaald in de aanschrijving nr. 3. van 11 januari 1973 (bijwerking 1978).
Zoals U terecht stelt kan de verlegging van de betaling, waarbij de belasting in dezelfde periodieke BTW-aangifte wordt betaald en afgetrokken, als een nuloperatie worden aangemerkt. Daaruit mag evenwel niet worden afgeleid dal de verleggingsregeling zich tot een louter boekhoudkundige bewerking beperkt.
Door de wegens invoer verschuldigde BTW op te nemen in het kader "verschuldigde belasting" van zijn periodieke aangifte, verhoogt de belastingplichtige die houder is van een vergunning om de verleggingsregeling toe te passen, namelijk in overeenkomstige mate het uiteindelijk aan de Staat te betalen saldo, terwijl de BTW die aan de medecontractant wordt betaald voor de hier te lande verrichte levering van een goed (of de BTW die effectief bij de invoer wordt voldaan) dat saldo daarentegen vermindert.
Bovendien worden de vergunningen om de ter zake van invoer verschuldigde BTW te voldoen met verlegging van de heffing slechts verleend na de vooruitbetaling in speciën van een bedrag gelijk aan een twaalfde van de belasting die werd betaald voor de invoer gedaan tijdens het jaar dat de aanvraag tot vergunning voorafgaat. Daarenboven moeten de houders van bedoelde vergunning het bedrag van de vooruitbetaalde belasting jaarlijks herzien op grond van de totale verschuldigde belasting voor de invoeren van het verlopen kalenderjaar.
De belastingplichtige die goederen heeft ingevoerd met verlegging van de betaling, moet dan ook in het jaar volgend op dat waarin de invoeren hebben plaatsgevonden, gedurende twaalf maanden de voorfinanciering dragen van de belasting die van de ingevoerde goederen werd geheven.
Het is dan ook duidelijk dat de bijzondere regeling bij invoer geen benadeling inhoudt van de Belgische producenten van goederen van een zelfde aard als die welke uit het buitenland worden betrokken.
Tenslotte wordt aangestipt dat voor de hier te lande verrichte leveringen van bedrijfsmiddelen geen regeling kan worden ingevoerd in de Zin als die van de verlegging van de betaling bij invoer; zo'n regeling zou namelijk strijdig zijn met de bepalingen van de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der LidStaten inzake omzetbelasting - gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.