Vr. en Antw., Senaat, nr. 1-46, 1996-1997, blz. 2310-2311
BTW bij huurkoop.
VRAAG
De materiële overdracht van een goed krachtens een overeenkomst tot het verhuren van een goed gedurende een bepaalde periode of een verkoop op afbetaling van een goed, waarin een bepaling is opgenomen volgens welke het eigendomsrecht normaal gesproken verworven is ten laatste bij de betaling van de laatste vervaldag, wordt naar verluidt beschouwd als een levering van goederen. Over het algemeen vertonen dergelijke leveringen ook een kredietaspect.
Kunt u mij bijgevolg meedelen of er voor het vaststellen van de maatstaf inzake BTW-heffing, een onderscheid moet worden gemaakt tussen het geval waarin enerzijds de prijs zonder nadere specificatie wordt gevraagd tussen de levering van het goed en het kredietaspect, en anderzijds het geval waarin de interest afzonderlijk op de factuur wordt vermeld omdat hij berekend wordt op basis van een afzonderlijke overeenkomst ?
ANTWOORD
Krachtens artikel 26, eerste lid, van het BTW-Wetboek, wordt de belasting voor de levering van goederen en de diensten berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks, met de prijs van die handelingen verband houden.
Derhalve wordt de belasting voor wat de verkoop op afbetaling of de huurkoop betreft, in principe berekend over het gecumuleerd bedrag van de voorschotten en de periodieke afbetalingen.
Indien de factuur uitgereikt door de belastingplichtige die zulke handelingen stelt evenwel de prijs vermeldt die contant kan worden betaald om hetzelfde goed te verwerven (vgl. artikel 41 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet) is de maatstaf van heffing voor de BTW gelijk aan deze prijs terwijl de sommen die in rekening werden gebracht als interesten beschouwd moeten worden als de tegenprestaties van een kredietverrichting die vrijgesteld is door artikel 44, § 3, 5°, van voornoemd wetboek. Overigens wordt opgemerkt dat de interesten niet tot de maatstaf van heffing behoren overeenkomstig artikel 28, 3°, van voornoemd wetboek.