Provisies artsen-gerechtsdeskundigen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

2200 23 november 2023

Zoeken

Provisies artsen-gerechtsdeskundigen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/2200-provisies-artsen-gerechtsdeskundigen-servais-verherstraeten-7c35

Nummer
2200
Datum
23 november 2023

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

19 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 2200 van de heer Servais Verherstraeten d.d. 23.11.2023

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2023-2024, QRVA 55/125 d.d. 13.12.2023, blz. 257

Provisies artsen-gerechtsdeskundigen

VRAAG

Op de diensten van artsen-gerechtsdeskundigen is sinds 2022 btw verschuldigd. Er rijzen in de praktijk blijkbaar vragen met betrekking tot de betaling van de provisie die door de rechtbank wordt gevraagd in het kader van de deskundigenonderzoeken.

In omzendbrief nr. 287 betreffende de btw op prestaties uitgevoerd door artsen in het kader van deskundige onderzoeken, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 10 januari 2022, wordt toegelicht dat ingeval het een burgerlijke zaak betreft waarbij de betaling moet gebeuren door een onderneming, het storten van een provisie de btw niet opeisbaar maakt. Het betreft hier immers een B2B-relatie. In de andere gevallen, B2C en B2G, is de btw wel opeisbaar bij provisies.

Echter in de praktijk zouden de meeste rechtbanken de toegekende provisie zonder additionele btw aan de gerechtsdeskundigen doorstorten. De meeste deskundigen trekken deze provisie bij de eindafrekening af van het totaal. Doch, bij een controle door de fiscus wijst deze er op dat er op die provisie al op voorhand diende btw te worden betaald.

Het zou dus in elk geval aangewezen zijn dat wordt verduidelijkt of er al dan niet btw verschuldigd is op de provisies. Indien dat het geval is, zou het goed zijn dat de rechtbanken dan worden verzocht om dit ook zo in het betrokken tussenvonnis op te nemen.

1. Zult u de rechtbanken vragen voortaan duidelijk in de tussenvonnissen op te nemen dat het een provisie van een bepaald bedrag + btw betreft?

2. Zult u samen met de minister van Financiën een overgangsmaatregel voorzien voor de aanslagjaren 2022 en 2023 waarbij geen boetes worden opgelegd? Om te vermijden dat de gerechtsdeskundigen het slachtoffer zouden zijn van deze onduidelijkheid.

ANTWOORD

d.d. 01.12.2023 (van de vice-eersteminister en Minister van Justitie, belast met de Noordzee)

1. In de vraag wordt gesteld dat voor het bepalen van het tijdstip van opeisbaarheid van de btw geen rekening wordt gehouden met de provisies in de B2B-relatie.

In dit verband dienen we een onderscheid te maken tussen het storten van een provisie in consignatie en het vrijgeven van een deel van de provisie aan de deskundige als voorschot.

Het louter storten in consignatie van een dergelijke provisie wordt inderdaad niet aangemerkt als het ontvangen van een betaling (incassering) in hoofde van de deskundige en maakt de btw derhalve niet opeisbaar.

De btw is opeisbaar op het moment dat de provisie wordt doorgestort aan de deskundige.

Met andere woorden, op het moment van vrijgave is er sprake van de ontvangst van een voorschot voor de toepassing van de btw.

Het klopt dat men daar extra aandacht op dient te vestigen. We zullen dan ook het college van hoven en rechtbanken hierover aanschrijven.

In tegenstelling tot hetgeen vermeld wordt, gelden deze regels met betrekking tot provisies (meer specifiek het onderscheid tussen het storten van een provisie in consignatie en de ontvangst van de provisie door de deskundige) zowel in de B2B-relatie, alsook in de B2C- en B2G-relatie. Hierbij moet evenwel zoals gezegd rekening gehouden worden met de regels inzake de opeisbaarheid van de btw die gelden voor elke relatie.

2. Na contactopname met de administratie van de FOD Financiën is het zo dat de minister van Financiën zijn administratie heeft gevraagd om voor het jaar 2022, in het kader van een eventueel fiscaal toezicht op de juiste toepassing van de medische vrijstelling (artikel 44, § 1 van het btw-Wetboek) een soepele houding aan te nemen in geval van een kennelijk onopzettelijke fout van een beroepsbeoefenaar. Voor 2023 werd niet een zodanige soepele houding voorzien. De FOD Financiën verwijst daarvoor naar de circulaire 2021/C/114, in fine.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 441 voorkomen