Parlementaire vraag nr. 2188 van de heer Luk Van Biesen d.d. 19.04.2018
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2017-2018, QRVA 54/157 d.d. 25.05.2018, blz. 355
Vraag nr.2188 van de heer volksvertegenwoordiger Luk Van Biesen van 19 april 2018 (N.) aan de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude:
De toepassing emanatietheorie door intergemeentelijke samenwerkingsverbanden
VRAAG
Vlaamse gemeenten werken vaak samen op bepaalde beleidsdomeinen. Denk bijvoorbeeld maar aan de samenwerkingen op het vlak van afvalophaling, watervoorziening, ruimtelijke ordening, enz. Dergelijke samenwerkingen worden opgezet met het doel om efficiënter te kunnen werken, schaalvoordelen te kunnen creëren en de dienstverlening naar de burger zo optimaal mogelijk te laten verlopen.
Het wettelijk kader dat dergelijke intergemeentelijke samenwerking mogelijk maakt is voorzien in het Vlaams Decreet intergemeentelijke samenwerking van 6juli 2001. Dit decreet voorziet onder meer in de mogelijkheid tot oprichting van een zogenaamde opdrachthoudende vereniging. Een samenwerking via een opdrachthoudende vereniging veronderstelt dat de deelnemende gemeenten overdracht van hun beheersbevoegdheden doen. Dit betekent dat zij de uitvoering van één of meerdere van hun gemeentelijke bevoegdheden toevertrouwen aan het samenwerkingsverband en zelf niet meer deze bevoegdheden uitoefenen.
Opdrachthoudende verenigingen worden voor de toepassing van de btw op eenzelfde manier behandeld als intercommunales. Dit betekent dat er in de relatie tot de aangesloten gemeenten geen sprake is van btw-belaste prestaties. Intercommunales en opdrachthoudende verenigingen zijn immers het verlengstuk van de aangesloten gemeenten. Dit houdt concreet in dat de bijdragen gestort door de gemeenten niet de prijs zijn van een btw-belaste prestatie maar een loutere financiële tussenkomst in de beheerskosten van de intercommunale vereniging of de opdrachthoudende vereniging.
Het Decreet intergemeentelijke samenwerking voorziet dat naast gemeenten ook bepaalde verzelfstandigde entiteiten, denk bijvoorbeeld aan autonome gemeentebedrijven, kunnen deelnemen.
Is ook in de relatie tot dergelijk verzelfstandigde entiteiten geen btw verschuldigd over de door hen gestorte bijdragen?
ANTWOORD
van de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude van 23.05.2018:
De opdrachthoudende verenigingen worden op het vlak van btw inderdaad op dezelfde wijze behandeld als de intercommunales, waarbij de aangesloten gemeenten afstand hebben gedaan van hun reglementerings- en beheersrechten. Deze bepalingen worden toegelicht in de aanschrijvingen nr.148 van 5oktober 1971 en nr.6 van 27februari 1975. Wanneer deelnemers afstand hebben gedaan van hun reglementerings- en beheersrechten, is de zogenaamde "emanatietheorie" van toepassing
De emanatietheorie houdt in dat abstractie wordt gemaakt van het feit dat de activiteit wordt uitgeoefend door de opdrachthoudende vereniging. Vanuit btw-oogpunt wordt de activiteit geacht te zijn uitgeoefend door de deelnemers van de opdrachthoudende vereniging zelf.
Dit betekent dat de activiteiten (met beheersoverdracht) verricht door de opdrachthoudende vereniging naar derden toe niet onderworpen zijn aan btw wanneer die activiteiten, indien uitgeoefend door de deelnemers zelf, ook niet onderworpen zouden zijn aan btw.
Wanneer de opdrachthoudende vereniging activiteiten verricht voor derden, die buiten het btw-toepassingsgebied zouden vallen of btw-vrijgesteld zouden zijn in geval ze door de deelnemers zelf worden verricht, dan zijn deze activiteiten ook in hoofde van de opdrachthoudende vereniging niet aan btw onderworpen of btw-vrijgesteld.
De activiteiten van de opdrachthoudende vereniging verricht voor derden zijn daarentegen onderworpen aan btw indien ze ook onderworpen zouden zijn aan btw indien ze zouden worden uitgeoefend door de deelnemers zelf. Het btw-statuut van de deelnemer is hier dan ook relevant vermits moet worden gekeken of de deelnemer zelf al dan niet btw zou moeten aanrekenen bij toepassing van artikel 4, artikel 6 en/of artikel 44 van het btw-wetboek.
Het feit dat onder de emanatietheorie abstractie wordt gemaakt van het feit dat de activiteit door de vereniging wordt uitgeoefend en voor btw-doeleinden de activiteit wordt geacht te zijn uitgeoefend door de deelnemers zelf, heeft ook gevolgen voor de prestaties die door de opdrachthoudende vereniging aan de deelnemers worden geleverd. Prestaties verricht door een opdrachthoudende vereniging voor haar deelnemers worden geacht prestaties aan zichzelf te zijn.
De opdrachthoudende vereniging wordt in het kader van de beheersoverdracht geacht op te treden "in de plaats van" en niet "voor rekening van" haar deelnemers. Prestaties aan zichzelf vallen in beginsel niet binnen de toepassing van btw waardoor in de relatie tussen de opdrachthoudende vereniging en haar deelnemers in beginsel ook geen sprake is van btw-belaste prestaties.
Het btw-statuut van de deelnemers is hier niet relevant vermits interne handelingen niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen en dit ongeacht of de deelnemer kwalificeert als een publiekrechtelijk lichaam overeenkomstig artikel 6 van het btw-wetboek dan wel een normale btw-belastingplichtige overeenkomstig artikel 4 van het btw-wetboek.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
3Rechtspraak
1België
1Hof van beroep te Antwerpen11.10.2024