Vr. en Antw., Kamer
Nieuwe gebouwen opgericht voor beroepsdoeleinden
VRAAG
Het believe de achtbare Minister mij mee te delen of met betrekking tot de waarde van nieuwe gebouwen al een administratieve beslissing is genomen, dan wel ingevolge de uiteenzetting hieronder zal worden genomen.
Een zelfstandige die BTW-plichtig is, laat een gebouw oprichten voor beroepsdoeleinden (goederenhal, werkplaats, toonzaal, bureau, enz.); overeenkomstig artikel 100 van het BTW-Wetboek kan hij het volle bedrag van de BTW op de goederen en de diensten van de aannemers aftrekken.
Tegenwoordig stelt het Bestuur van de BTW een waarde vast voor die categorie van gebouwen; indien een aanpassing werd verricht, zou de BTW-plichtige ingevolge opgave 106/5 aan de Staat taksen moeten betalen, die hij nadien zou kunnen aftrekken. Mijn vragen zijn de volgende:
1° Bepaalt het Bestuur van de BTW de waarde van deze categorie van gebouwen (hal, werkplaats, bureau, enz.)?
2° Is de BTW-plichtige gehouden tot de aangifte voorgeschreven door artikel 64/4?
3° Heeft het Bestuur van de BTW voor deze categorie belastingplichtigen in uitzonderingen voorzien?
4° Heeft het Bestuur van de BTW voor deze categorie van gebouwen in uitzonderingen voorzien en, zo ja, welke?
ANTWOORD
Op grond van de artikelen 36, § 1, en 61, § 3, van het BTW-Wetboek is de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen belast met de controle op de heffing van de BTW en onder meer het bepalen van de normale waarde van werk in onroerende staat wanneer het betrekking heeft op op te richten gebouwen.
Aldus bepaalt artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek dat iedere eigenaar van een pas opgericht gebouw uiterlijk binnen drie maanden vanaf de datum van betekening van het kadastrale inkomen een aangifte moet indienen die een omstandige opgave bevat van de voor het bouwen ontvangen facturen waarop de belasting over de toegevoegde waarde in rekening werd gebracht.
Te dien aanzien zijn, in beginsel, de aard van het opgerichte gebouw en de hoedanigheid van de eigenaar-oprichter van geen belang.
Evenwel is de eigenaar die de hoedanigheid van belastingplichtige heeft en die de belasting over de toegevoegde waarde, geheven van de diensten en leveringen met betrekking tot de oprichting van een gebouw voor de totaliteit in aftrek kan brengen, niet gehouden tot het indienen van de aangifte bedoeld in artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek. Te dien aanzien moet de toepassing van artikel 100 van het BTW-Wetboek niet in acht worden genomen.
Wat de controle betreft van de heffing van de BTW van het werk in onroerende staat dat betrekking heeft op dat gebouw en de toepassing van artikel 100 van het BTW-Wetboek is die eigenaar-belastingplichtige nochtans gehouden de uitgereikte facturen en de opgemaakte stukken ter inzage voor te leggen op ieder verzoek van de ambtenaren van de BTW die belast zijn met de controle, ten einde hen in staat te stellen de voldoening na te gaan van de door die belastingplichtige of door andere verschuldigde belasting.
Die controle wordt uitgeoefend tijdens de controleopdrachten die slaan op de werkzaamheid van de betrokken belastingplichtige.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.