Vr. en Antw., Kamer
Belastingontduiking - Voorlopig bezit van roerend goed
VRAAG
Uit een vonnis van 16 november 1977 van de Correctionele Rechtbank van Nijvel blijkt dat een BTW-plichtige werd veroordeeld onder meer om ten nadele van de Schatkist een som van 153.584 fr. BTW te hebben verduisterd.
De verduistering is gegrond op het feit dat die persoon voorlopig in het bezit was van een roerend goed, bezit, dat nadien in eigendom werd omgezet.
Om de verduistering als een misbruik van vertrouwen te kunnen beschouwen dient een voorafgaande voorwaarde te worden vervuld: er is met name vereist dat de persoon die het goed voorlopig bezit kennis heeft van het voorlopige karakter van dat bezit.
Zou het niet wenselijk zijn, met het oog op een betere beteugeling van de belastingontduiking, dat het bestuur van de BTW in zijn betalingsberichten de weerspannige betalers aanmaant de door hen verschuldigde sommen aan de Schatkist te betalen, en daarbij de nadruk zou leggen op het voorlopige karakter van het bezit van de sommen die zij aan BTW verschuldigd zijn?
Gelooft U voorts niet dat het nuttig zou zijn op de keerzijde van de betalingsberichten de tekst van artikel 491 van het Strafwetboek weer te geven, zodat een verband kan worden gelegd tussen de bepaling van dat artikel en de belastingplichtige die weigert een bepaalde som terug te betalen?
ANTWOORD
Het op 16 november 1977 door de Correctionele Rechtbank te Nijvel uitgesproken vonnis veroordeelt, in het bijzonder, tot een gevangenisstraf, diegene die met bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden, verschillende bepalingen van het BTW-Wetboek heeft overtreden.
Het betreft hier een van de gevallen waar de Staat klacht moet indienen om dergelijk openlijk bedrog te straffen.
Krachtens artikel 73 van het Wetboek van de-BTW, dient de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, inderdaad klacht in bij de bevoegde Procureur des Konings wanneer een belastingplichtige met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, de verschuldigde belastingen niet betaalt. Het gaat dan om een zware fout die ertoe leidt de strafrechterlijke bepalingen toe te passen.
De door geacht Lid gemaakte beschouwingen aangaande het begrip van verduistering opgenomen in artikel 491 van het Strafwetboek betreffen eerder de interpretatie van de wet. Enkel de Wetgever en, voor de betwiste gevallen die hun worden voorgelegd, de hoven en rechtbanken zijn terzake bevoegd.
Alleen al om die reden is de systematische inlassing in de betalingsberichten van dit artikel alsook van andere strafrechterlijke bepalingen inzonderheid deze aangehaald in voormeld artikel 73 niet verantwoord.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.