VRAAG
Het is een aloude traditie dat ter gelegenheid van het tienjarig bestaan, zilveren, gouden of andere jubilea of speciale verjaardagen van het bestaan van een bedrijf of van een vennootschappengroep feesten worden georganiseerd waarbij zowel het tewerkgestelde personeel en hun kinderen, de klanten, de leveranciers, vrienden, de lokale overheden en notabelen, de voornaamste kennissen als de naaste familieleden en al hun partners worden uitgenodigd tot een academische zitting met gastsprekers, een receptie en/of een feestmaal in de bedrijfslokalen en/of in een aangebouwde tent op de bedrijfsterreinen.
Uit fiscaal oogpunt rijzen de volgende algemene doch praktische vragen in verband met alle mogelijke kosten met betrekking tot elk van de hierboven vermelde genodigden en de daarmee verband houdende publiciteit.
1. Inzake BTW:
a) In welke mate is de BTW recupereerbaar met betrekking tot de kosten van de receptie, representatie, de academische zitting en van het feestmaal en de dranken zowel voor de speciale genodigden en hun partner als voor het personeel en hun gezinsleden?
b) In welke specifieke uitsluitingen voorziet het BTW-Wetboek?
2. Inzake directe belastingen:
a) In welke mate wordt elk van deze kosten en de erop betrekking hebbende BTW al dan niet onderworpen aan de aftrekbeperking waarvan sprake in artikel 53, 8°, WIB 1992:
•voor het personeel en hun gezinsleden (kinderen en partners);
•voor de andere genodigden en hun partners?
b) Moeten de kosten (BTW inclusief) met betrekking tot de privé- genodigden als een voordeel van alle aard worden aangemerkt of mogen ze aan de bedrijfsleiders of aandeelhouders zonder meer worden doorgefactureerd en worden tegengeboekt op hun rekening-courant voor een bedrag BTW inclusief?
c) In welke concrete mate is die al dan niet doorgerekende en/of al dan niet recupereerbare BTW naderhand aftrekbaar inzake vennootschapsbelasting na een controle door de bevoegde BTW-ambtenaren?
d) Zijn alle kosten in verband met de personeelsleden en hun gezinsleden te beschouwen als een integraal vrijstelbaar sociaal voordeel zowel in hoofde van de vennootschap als in hoofde van het personeel (zie artikel 38, 11°, en artikel 53, 14°, WIB 1992)?
e) Aan de hand van welke welbepaalde verdeelsleutels of redelijke criteria wensen de fiscale administraties de kosten uit te splitsen in een beroepsmatig en in een privaat gedeelte?
3. Kan u uw algemene ziens- en handelwijze in het licht van alle bestaande wettelijke en reglementaire bepalingen van fiscale en/of parafiscale aard meedelen?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord op haar vragen te vinden.
1. Inzake BTW
Overeenkomstig artikel 45, § 3, 4°, van het BTW-Wetboek is er geen aftrek van voorbelasting geheven terzake van de door de bedrijven gedane kosten van onthaal, dit wil zeggen de kosten op het stuk van public relations gedaan voor onthaal, ontvangst en vermaak of ontspanning van aan het bedrijf vreemde bezoekers.
Onder "aan het bedrijf vreemde bezoekers" wordt verstaan de personen die niet in de onderneming werken als directie- of personeelslid.
Wanneer echter in het uitsluitend belang van alle personeelsleden, een bedrijf bepaalde sociale voordelen verstrekt die een collectief karakter dragen, en die inzake directe belastingen niet aangemerkt worden als voordelen van alle aard, terwijl de goederen en diensten die zijn aangewend om die voordelen te realiseren aftrekbaar zijn voor de toepassing van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, dan is de BTW die geheven werd van deze goederen en diensten volgens de gewone regels aftrekbaar. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de goederen en diensten die bestemd zijn voor collectieve doeleinden op een receptie of een feest ter gelegenheid van een benoeming, een bekroning van arbeidslaureaten, een sinterklaasfeest en dergelijke.
Er wordt evenwel op gewezen dat de bepalingen van artikel 45, § 3, 2° en 3°, van het BTW-Wetboek, die stellen dat de voorbelasting geheven van leveringen en intracommunautaire verwervingen van geestrijke dranken en de kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 10° en 11°, van voormeld wetboek in principe niet voor aftrek in aanmerking komt, steeds in acht moeten worden genomen.
Aangezien in het door het geachte lid bedoelde geval de door de bedrijven ingerichte feesten niet uitsluitend in het belang van de personeelsleden worden georganiseerd, dienen de betreffende kosten voor het geheel te worden aangemerkt als kosten van onthaal in de zin van artikel 45, § 3, 4°, van voormeld wetboek en is er geen recht op aftrek van voorbelasting geheven van deze kosten.
2. Inzake directe belastingen
a) Op het principiële vlak is artikel 53, 8°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) (beperking van de aftrek tot 50 % wat de restaurant- en receptiekosten betreft) van toepassing op alle in de vraag beoogde beroepsmatig gedane uitgaven, de niet als voorbelasting aftrekbare BTW inbegrepen, daar deze de aard van receptiekosten hebben.
Indien er evenwel ten name van de genieters individuele fiches zijn opgemaakt omdat in hun hoofde een belastbaar voordeel van alle aard moet worden weerhouden, zijn de met dat voordeel verband houdende kosten ten name van de verstrekker van dat voordeel niet onderworpen aan de aftrekbeperking van artikel 53, 8°, WIB 1992.
b) Voordelen van alle aard zijn belastbare beroepsinkomsten wanneer ze zijn behaald of verkregen uit hoofde of ter gelegenheid van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid (cf. de artikelen 25, 2°, 27, tweede lid, 2°, 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, WIB 1992).
Opdat de verkregen voordelen in principe belastbaar zouden zijn, volstaat het bijgevolg dat zij voortspruiten uit de uitoefening van de beroepswerkzaamheid door de verkrijger of dat ze daarin hun oorsprong vinden. Met andere woorden, er moet een oorzakelijk verband zijn tussen de uitoefening van de beroepswerkzaamheid en het verkrijgen van het voordeel opdat deze laatste in principe belastbare beroepsinkomsten zijn van de verkrijger. Of dit oorzakelijk verband bestaat is een feitenkwestie die dus in ieder concreet geval afzonderlijk moet worden beoordeeld.
Voor alle personen die een beroepswerkzaamheid uitoefenen (bijvoorbeeld de bedrijfsleider) worden de anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard overeenkomstig artikel 36, WIB 1992, vastgesteld in verhouding tot de werkelijke waarde bij de verkrijger, eventueel verminderd met de door de verkrijger betaalde bijdragen, zoals die bijvoorbeeld is doorgefactureerd of tegengeboekt op de lopende rekening van de bedrijfsleider.
c) Overeenkomstig de onderrichtingen verstrekt in het nr. 53/78 van de administratieve commentaar op het WIB 1992 (Com.IB 92) kan als regel worden gesteld dat de niet als voorbelasting aftrekbare BTW als beroepskost kan worden afgetrokken in de mate dat zij verband houdt met een levering of dienst waarvan de eigenlijke kostprijs als beroepskost aftrekbaar is.
Verder kan worden meegedeeld dat herzieningen van de aftrek van de BTW die naar gelang van het geval een aanvullende aftrek van voorbelasting of een aanvullende BTW-schuld tot gevolg hebben, aanleiding zullen geven tot de nodige verbeteringen van de aftrekbare beroepskosten. De aanvullende aftrek van voorbelasting kan enerzijds leiden tot een gehele of gedeeltelijke recuperatie van de vroeger als beroepskosten aangenomen BTW, terwijl anderzijds de aanvullende BTW- schuld geheel of gedeeltelijk als beroepskost aftrekbaar kan zijn. De voormelde verbeteringen van de aftrekbare beroepskosten dienen te worden verricht voor het belastbare tijdperk waarin de herziening van de BTW-aftrek wordt verricht.
d) In afwijking van de in het antwoord op vraag 2, b), uiteengezette principes, voorziet artikel 38, 11°, WIB 1992, in de vrijstelling van sociale voordelen verkregen door werknemers, bedrijfsleiders en gewezen werknemers en bedrijfsleiders of hun rechthebbenden.
Het gaat hier inzonderheid om collectieve voordelen van geringe waarde die niet kunnen worden geïndividualiseerd of waarvan het praktisch onmogelijk is het per verkrijger behaalde deel te bepalen (zoals bijvoorbeeld de door het geachte lid beoogde deelname aan een jubileum- of verjaardagsfeest van een onderneming).
Anderzijds zullen, ingevolge de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 53, 14°, WIB 1992, deze sociale voordelen die ten name van de personeelsleden zijn vrijgesteld ingevolge artikel 38, 11°, WIB 1992, ten name van de vennootschap niet als beroepskosten worden aangemerkt.
e) Opdat kosten als beroepskosten aftrekbaar zijn dienen, overeenkomstig artikel 49, WIB 1992, deze kosten onder meer noodzakelijk met het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid verband te houden.
Dit betekent dat gemengde kosten (gedaan deels voor de beroepswerkzaamheid en deels voor privé-doeleinden) moeten worden omgeslagen. De verhouding volgens dewelke gemengde kosten moeten worden omgeslagen betreft doorgaans een feitenkwestie die in overleg tussen de belastingplichtige en de taxatiedienst moet worden geregeld.
3. Het bovenstaande antwoord is opgesteld in het licht van de huidige wettelijke bepalingen en administratieve richtlijnen, dewelke in de respectieve onderdelen van het antwoord zijn opgenomen.
Dienaangaande wens ik er echter op te wijzen dat het principe van de aftrekbaarheid als beroepskosten van sommige onbetwistbare kosten later het voorwerp zal uitmaken van een globaal onderzoek in het licht van de regeringsverklaring.