Kamer, Integraal verslag - Commissie voor de Financiën en Begroting, 2014-2015, CRIV 54 COM 098 d.d. 25.02.2015, blz. 14
De kostendelende verenigingen en lokale besturen
Luk Van Biesen: Dit is een technische vraag die ik misschien beter als schriftelijke vraag had gesteld. Ik zal een korte inleiding geven en vervolgens mijn concrete vraag stellen. Zoals u weet zijn mijn vragen meestal te beantwoorden met ja, neen of onthouding.
Steden, gemeenten en OCMW’s werken om efficiëntieredenen alsmaar nauwer samen. Vaak gebeurt dit in het kader van een kostendelende vereniging, zoals bedoeld in artikel 44, § 2, 1°, bis btw-wetboek. De deelname aan een kostendelende vereniging is in principe voorbehouden aan een niet-belastingplichtige of vrijgestelde belastingplichtige. Niettemin voorziet artikel 3 van het KB nr. 43 in een tolerantie die erin bestaat dat eventuele belaste handelingen dienen beperkt te blijven tot maximaal 10 % van de totale handeling. Dit is vooral belangrijk voor steden, gemeenten en OCMW’s die in het Vlaams Gewest sinds 1 januari 2014 allen hetzelfde boekhoudsysteem hanteren. Het is evenwel onduidelijk op welke manier de 10 %-drempel moet worden berekend.
Kunt u ermee instemmen dat voor de berekening van het percentage en voor de beoordeling van deze 10 %-drempel de som van de bedragen opgenomen naast de roosters 01, 02 en 03 van de periodieke aangiften in het betreffende jaar wordt gedeeld door het bedrag vermeld op de lijn “II. Opbrengsten” van “De staat van opbrengsten en kosten (schema J7)” van het betreffende jaar?
Het antwoord is dus ja, neen of onthouding.
Minister Johan Van Overtveldt: Ik zal het iets genuanceerder proberen te doen.
De vaststelling waarnaar u verwijst is in beginsel niet van toepassing wanneer bepaalde leden de hoedanigheid hebben van gemengde of gedeeltelijke belastingplichtige. Deze regel wordt evenwel gemilderd door de toepassing van de zogenaamde 10 %-drempel waarnaar u ook verwijst. Men mag niet uit het oog verliezen dat deze 10 %-drempel sowieso slechts van toepassing kan zijn indien de met btw-belaste handelingen van een lid geen afzonderlijke werkzaamheid vormen, maar slechts bijkomende handelingen zijn bij de vrijgestelde of niet aan de btw onderworpen werkzaamheden. Om vast te stellen of de vrijstelling in hoofde van de vereniging geldt, moet voor ieder lid per kalenderjaar de verhouding tussen het totaalbedrag van de belastbare handelingen en het totaalbedrag van de verrichte beroepshandelingen worden vastgesteld en berekend. Voor de berekening van deze verhouding worden bepaalde bedragen niet in aanmerking genomen.
Het gaat dan onder meer over de opbrengsten van en de inkomsten uit onroerende en financiële verrichtingen, tenzij die verrichtingen behoren tot een specifieke economische activiteit van die aard: algemene werkingstoelage, boete en dergelijke meer.
Bij het bepalen van de 10 %-drempel kan de belaste omzet dan ook niet zonder meer worden vergeleken met het bedrag vermeld onder de rubriek II, de staat van opbrengsten en kosten, het schema J.
Tot daar mijn genuanceerd antwoord.
Luk Van Biesen: Mijnheer de voorzitter, voor u als schepen van Financiën in Zaventem is dat toch een zeer belangrijke vraag die u meteen kan toepassen op uw begroting. Ik meen dat het een belangrijk effect is en ik dank de minister voor zijn antwoord.
Het incident is gesloten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.