Fiscale fraude, Internationale samenwerking, Juridisch kader · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

2-1977 18 maart 2002

Zoeken

Fiscale fraude, Internationale samenwerking, Juridisch kaderFiscale fraude. - Internationale samenwerking. - Juridisch kader.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/2-1977-fiscale-fraude-internationale-samenwerking-juridisch-974f

Nummer
2-1977
Datum
18 maart 2002

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

29 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 2-1977 van mevrouw Kestelijn Sierens d.d. 18.03.2002

Vr. en Antw., Senaat, zitting 2001-2002, nr. 2-29 , blz. 105

Fiscale fraude. ­ Internationale samenwerking. ­ Juridisch kader.

VRAAG

De artikelen 338 WIB en 93terdecies van het BTW-Wetboek vormen de juridische omkadering inzake de wederzijdse bijstand tussen belastingbesturen van de lidstaten van de EU.

Zij vormen tevens de implementatie van de geldende Europese regelgeving terzake.

Gezien echter onder meer het vage karakter en het te zwakke kader van deze bestaande EU-regelgeving, lanceerde de Europese Commissie vorig jaar een voorstel van verordening en richtlijn in de strijd tegen de BTW-fraude in het bijzonder.

De heer Zenner, regeringscommissaris belast met de fiscale fraude en de fiscale vereenvoudiging, verwees in zijn opvolgingsnota van 31 december 2001 naar een voorontwerp van wet tot wijziging en uitbreiding van artikel 93terdecies van het BTW-Wetboek dat rekening dient te houden met de bepalingen van het voormeld voorstel tot verordening en richtlijn.

Graag kreeg ik van de geachte minister een antwoord op volgende vragen :

1. In welk stadium bevindt zich het voorontwerp van wet tot wijziging en uitbreiding van artikel 93terdecies van het BTW-Wetboek ?

Zal de administratie bij de uitwerking van het ontwerp rekening houden met welbepaalde elementen uit het voorstel van verordening en richtlijn tegen de BTW-fraude ? Indien ja, met welke elementen ?

2. Volgens het actieplan « Naar een nieuwe fiscale cultuur » (d.d. maart 2001) van de heer Zenner wordt aangeraden om ook artikel 338 WIB te wijzigen en uit te breiden. Werden hiertoe reeds initiatieven genomen en zo ja, in welk stadium bevinden zij zich ?

ANTWOORD

Voor de belasting over de toegevoegde waarde bestaan er twee verschillende rechtsgrondslagen die de administratieve samenwerking tussen de lidstaten mogelijk maken : enerzijds richtlijn 77/799/EEG van de raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe en de indirecte belastingen en waarvan artikel 93terdecies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde de omzetting in nationale wetgeving vormt en anderzijds verordening (EEG) nr. 218/92 van de Raad van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen (BTW).

De richtlijn schept een rechtsgrondslag voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten. Deze uitwisseling dient echter te lopen via de « bevoegde autoriteiten ». De uitwisseling van inlichtingen kan dus niet rechtstreeks plaatsvinden tussen twee diensten van twee verschillende lidstaten.

Het afschaffen per 1 januari 1993 van de fiscale grenzen tussen de lidstaten maakte versterking van de administratieve samenwerking noodzakelijk. Daarom werd ter aanvulling van de bepalingen van de aangehaalde richtlijn van 1977, en om op die manier alleen voor de intracommunautaire leveringen en verwervingen van goederen een verdergaand systeem voor uitwisseling van informatie tot stand te brengen, de verordening (EEG) nr. 218/92 uitgevaardigd.

Gelet op het feit dat de verordening (EEG) nr. 218/92 uitsluitend betrekking heeft op intracommunautaire leveringen en verwervingen van goederen, en bijvoorbeeld niet op diensten of binnenlandse leveringen en vermits de meeste BTW-fraudeconstructies binnenlandse en intracommunautaire transacties combineren, gebruiken de lidstaten hoofdzakelijk de richtlijn 77/799/EEG als rechtsgrondslag voor hun samenwerking in fraudezaken. Deze richtlijn was oorspronkelijk bedoeld om de uitwisseling van gegevens inzake de directe belastingen te vergemakkelijken en werd later niet aangepast om te voorzien in de sterkere behoefte aan meer samenwerking op BTW-gebied na de invoering per 1 januari 1993 van de BTW-overgangsregeling.

Deze richtlijn vormt thans een te zwak kader voor een werkelijk slagvaardige samenwerking : de zwakheid ervan is er voornamelijk in gelegen dat zij te gecentraliseerd, niet intensief genoeg en te vaag van opzet is.

Afgezien van deze tekortkomingen en leemten is het bestaan van twee onderscheiden rechtsgrondslagen voor de administratieve samenwerking op BTW-gebied op zich een bron van verwikkelingen gebleken, die nadelig is voor een goed functioneren van het systeem.

Het verslag dat de Commissie op 28 januari 2000 heeft ingediend op grond van artikel 14 van de verordening (EEG) nr. 218/92 en artikel 12 van de verordening (EEG) nr. 1553/89, evenals de werkzaamheden die zijn verricht binnen de ad hoc-groep « Belastingfraude » van de Raad, geven duidelijk aan dat de handhaving van de bestaande regelingen gepaard dient te gaan met een doelmatige versterking van de middelen en nadere bepalingen voor toezicht en administratieve samenwerking.

De Commissie is bijgevolg van mening dat het bestaan van twee rechtsgrondslagen een negatief effect op de mogelijkheid tot samenwerking op het gebied van de BTW-controle heeft. Zij stelt dan ook één enkel en sterker juridisch kader voor (een nieuwe verordening (EEG) nr. 218/92 vervangt, versterkt en moderniseert en de bepalingen van de richtlijn 77/799/EEG insluit) om alzo te komen tot een intensivering van de samenwerking die op dit moment voor de bestrijding van BTW-fraude absoluut noodzakelijk is.

De Belgische regering gaat met deze analyse akkoord en ondersteunt dan ook het initiatief van de Commissie.

Het op 18 juni 2001 door de Commissie uitgebrachte voorstel voor een verordening betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de BTW wordt momenteel bestudeerd door de Raad en het Europees Parlement.

Het voordeel van een verordening ligt in het feit dat deze rechtstreeks op een identieke wijze toepasselijk is in alle lidstaten zonder dat een omzetting in elke nationale wetgeving vereist is.

Daarom lijkt het - op dit ogenblik - niet aangewezen enkel en alleen in het Belgische recht nieuwe wettelijke bepalingen in te voeren, die niet volledig door de andere lidstaten zouden gedeeld worden.

Bovendien werd de Multilaterale Overeenkomst OESO/Raad van Europa inzake wederzijdse bijstand in fiscale aangelegenheden door België ondertekend en is zij in ons land in werking getreden op 1 december 2000 zowel op het vlak van de BTW als op het vlak van de belasting op het inkomen.

De partijen die het verdrag ondertekend hebben kunnen een beroep doen op verschillende vormen van administratieve bijstand : de uitwisseling van inlichtingen, met inbegrip van gelijktijdige belastingcontroles en deelname aan zulke controles in het buitenland, bijstand bij invorderingen, met inbegrip van bewarende maatregelen en de betekening van documenten.

Globaal genomen laten deze drie vormen van bijstand toe dat alle belangrijke categorieën van maatregelen kunnen genomen worden door de fiscale administratie van de ene partij voor de samenwerking met die van de andere partij in de uitoefening van haar functies.

Indien in de toekomst zou blijken dat nieuwe vormen van samenwerking mogelijk zijn, dan dient er rekening mee gehouden te worden dat deze het voorwerp moeten uitmaken van een afzonderlijke overeenkomst of van een protocol bij de bestaande overeenkomst.

Aangehaalde teksten

3
verordening 1553/89 art. 121 voorkomen
verordening 218/92 art. 141 voorkomen