Belastingtegoeden. Termijn van terugbetaling. Moratoire interesten · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

197 12 februari 1985

Zoeken

Belastingtegoeden. Termijn van terugbetaling. Moratoire interesten

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/197-belastingtegoeden-termijn-terugbetaling-moratoire-interesten-3e57

Nummer
197
Datum
12 februari 1985

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

15 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat

Belastingtegoeden - Termijn van terugbetaling. Moratoire interesten

VRAAG

Op basis van de BTW-aangifte kan de Staat aan belastingplichtigen een teruggave verschuldigd zijn.

Omwille van vertraging in nazichten of twijfel inzake verschuldigdheid door de Staat, wordt de uitbetaling opgeschort.

Aldus kunnen maanden verstrijken tot zelfs jaren tussen de datum van aangifte en de datum van uitbetaling.

Graag had ik van de geachte Minister antwoord op volgende vragen.

1. Zijn door de Staat moratoriuminteresten verschuldigd bij laattijdige terugbetaling, ontstaan buiten de wil van BTW-plichtige om?

2. Indien uw antwoord ontkennend luidt op vraag 1, waarom niet?

3. Binnen welke termijn moet na aangifte, nazicht en terugbetaling van het saldo in het voordeel van belastingplichtige plaatshebben?

ANTWOORD

Artikel 91, § 3, van het BTW-Wetboek bepaalt dat van rechtswege een interest is verschuldigd van 1 pct. per maand over de sommen die moeten worden teruggegeven bij toepassing van artikel 76, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, te rekenen van het verstrijken van de in deze bepaling vastgestelde termijn.

Artikel 76, § 1, eerste lid, van het Wetboek bepaalt dat, wanneer het bedrag van de aftrekbare BTW aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de door de in die bepaling bedoelde belastingplichtige verschuldigde BTW, het verschil op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige wordt teruggegeven binnen drie maanden, dit is uiterlijk 31 maart van het daaropvolgende jaar.

Deze laatste bepaling beoogt zowel het belastingtegoed dat ontstaan is na het indienen van de laatste aangifte van een kalenderjaar als het belastingtegoed dat ontstaat in de loop van het kalenderjaar en dat voor zover aan al de andere voorwaarden is voldaan (z. art. 8(1), § 2, laatste lid, van het kon. besl. nr. 4 van 29 december 1969, gewijzigd door art. I van het kon. besl. van 15 mei 1984) voor teruggaaf vatbaar is, doch voor het einde van het kalenderjaar nog niet daadwerkelijk is uitbetaald.

In de praktijk stelt de administratie alles in het werk om, in voorkomend geval rekening houdend met de tijd nodig voor een summier onderzoek naar de gegrondheid van de belastingkredieten, de bovenbedoelde teruggaven welke ten bate van de belastingplichtigen moeten gedaan worden, in de regel te kunnen uitvoeren binnen een termijn van vier tot acht weken na het verstrijken van de datum die vastgesteld is voor de indiening van de aangifte waaruit het terug te geven bedrag blijkt.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 762 voorkomens
WBTW art. 911 voorkomen