Kunstenaars. Aftrek · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

195 21 september 1979

Zoeken

Kunstenaars. Aftrek

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/195-kunstenaars-aftrek-degroeve-artiest-ee6f

Nummer
195
Datum
21 september 1979

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

22 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer

Kunstenaars - Aftrek

VRAAG

Wat is het fiscaal statuut in 1981 (inkomsten 1980) van een kunstenaar die voor het eerst deelneemt aan een tentoonstelling in een openbare gelegenheid waar zijn/haar werken kunnen worden verkocht?

1° Zal hij/zij, aangezien hij/zij geen belastingplichtige is, op de verkoop van elk werk BTW moeten vragen? Dient hij/zij zich vooraf bij de BTW en bij het handelsregister in te schrijven zonder dat hij/zij de zekerheid heeft dat een werk zal worden verkocht?

2° Wanneer één werk of meer werken worden verkocht zullen alle inkomsten in 1980 worden geïnd. Alle kosten ter voorbereiding van de tentoonstelling (grondstoffen, verplaatsingen, kaders, reklame, enz.) zullen evenwel in 1979 worden betaald. Die kosten kunnen niet in 1979 worden afgetrokken aangezien er in 1979 geen inkomsten zijn en betrokkene niet in het handelsregister is ingeschreven.

Wat dient er in 1979 door de betrokkene te worden aangegeven?

3° In de veronderstelling dat in 1980 niets wordt verkocht maar dat in 1981 en 1982 (bijvoorbeeld) af en toe een werk wordt verkocht, kunnen dan de in 1979 gedane kosten worden afgetrokken wanneer de aanslagbiljetten voor die verkoopjaren worden ingevuld? Zo ja, gedurende hoeveel jaar na dat tijdens welk de kosten werden gedaan, kunnen ze worden afgetrokken?

ANTWOORD

1° Voor de toepassing van de BTW verkrijgen de kunstschilders, beeldhouwers, graveerders en keramiekbewerkers de hoedanigheid van belastingplichtige en moeten zij als zodanig worden geregistreerd, van zodra zij door een ondubbelzinnige daad hun wil uiten hun werken geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, te zullen verkopen.

Dit is, onder meer, het geval wanneer een kunstenaar voor de eerste keer met het oog op de verkoop van zijn werken deelneemt aan een tentoonstelling, zodat hij vanaf dat tijdstip als BTW-belastingplichtige moet worden geregistreerd en hij aan de Schatkist de BTW moet voldoen die verschuldigd is wegens de verkoop van zijn kunstwerken.

Hieruit volgt dat hij, vanaf bovenbedoeld tijdstip, de BTW geheven van de uitgaven met betrekking tot de voorbereiding tot de deelneming aan die tentoonstelling overeenkomstig de gewone regels in aftrek kan brengen. Dit geldt eveneens ten aanzien van de BTW geheven van de uitgaven met betrekking tot de totstandkoming van de kunstwerken die zullen worden verkocht.

Gelet op de praktische moeilijkheden die sommige kunstenaars bij het vervullen van hun BTW-formaliteiten ondervinden, heeft de BTW-Administratie voor de voldoening van de BTW een vereenvoudigde regeling uitgewerkt. Daaromtrent kunnen de betrokkenen inlichtingen bekomen bij het hoofd van het BTW-controlekantoor, waaronder zij ressorteren.

2° Wat de inkomstenbelastingen betreft moet men in het door het geacht Lid beoogde geval met twee eventualiteiten rekening houden.

Eerste eventualiteit: de kunstenaar moet worden geacht een vrij beroep uit te oefenen in de zin van artikel 20, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

Tweede eventualiteit: de kunstenaar moet worden geacht zijn kunst te bedrijven buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid (geval beoogd in artikel 67, 1°, van voormeld Wetboek).

In de eerste eventualiteit, maken de in 1979 ter voorbereiding van de tentoonstelling betaalde of gedragen kosten een bedrijfsverlies uit dat aan te geven is voor het aanslagjaar 1980 (inkomsten van het jaar 1979). Overeenkomstig artikel 43, eerste lid, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, zal dit verlies, in principe, mogen worden aangerekend op de inkomsten van andere beroepswerkzaamheden van hetzelfde belastbaar tijdperk, en het eventueel saldo zal achtereenvolgens worden afgetrokken van de bedrijfsinkomsten van elk der vijf volgende belastbare tijdperken.

In de tweede eventualiteit, maken de in 1979 ter voorbereiding van de tentoonstelling betaalde of gedragen kosten verliezen uit als beoogd in artikel 70, § 1, van voormeld wetboek, die eveneens moeten worden aangegeven voor het aanslagjaar 1980 (inkomsten van het jaar 1979).

Overeenkomstig voormeld artikel, komen de verliezen van deze aard in aanmerking om afgetrokken te worden van de winsten of baten die de belastingplichtige zou behalen uit prestaties, verrichtingen of speculaties beoogd in artikel 67, 1°, van voormeld wetboek.

Zoals voor de bedrijfsverliezen wordt deze aanrekening achtereenvolgens verricht op de winsten of baten van elk der vijf volgende belastbare tijdperken.

Het antwoord op de vraag in welke van de twee voornoemde eventualiteiten een bepaald geval moet worden gerangschikt hangt af van de bijzondere feitelijke en juridische omstandigheden die er eigen aan zijn.

Indien, zoals wordt verondersteld, het geacht Lid een welbepaalde belastingplichtige beoogt, raad ik hem aan de betrokkene uit te nodigen zijn probleem voor te leggen aan zijn controleur van de directe belastingen die geroepen is om zich, in eerste instantie, uit te spreken over het ter zake toepasselijke belastingstelsel.