Vr. en Antw., Kamer
Controle van de omzet
VRAAG
In sommige streken van het land groeit bij de zelfstandigen, ambachtslieden, landbouwers en leiders van kleine en middelgrote ondernemingen de bezorgdheid doordat de beambten van het Ministerie van Financiën er al te licht of stelselmatig hun toevlucht nemen tot willekeurige verwijzingsnormen of taxatie volgens tekenen en indiciën.
Wat de aanwending van verwijzingsnormen betreft die geen rechtstreeks verband houden met de betrokken onderneming, wekt het terecht verbazing dat de belastingcontroles beperkt blijven tot oppervlakkige vergelijkingen met ondernemingen die weliswaar behoren tot dezelfde bedrijfstak, maar die zeker geen algemeen geldende kenmerken vertonen, vooral niet in een periode van economische crisis.
Voor de taxatie volgens tekenen en indiciën is het zeer te betreuren dat de belastingadministratie onder meer in de landbouw de forfaitaire belastingschalen niet streng toepast. De negatieve houding van de administratie brengt de geloofwaardigheid van de ministeriële beslissingen inzake forfaitaire barema's rechtstreeks in het gedrang.
Kan de Minister van Financiën billijkheidshalve in alle kantoren en controles van de betrokken administraties tot die beambten een omzendbrief richten waarin wordt gewezen op de noodzaak om:
1. de toestand van elk bedrijf afzonderlijk te onderzoeken en aan de betrokken burger een aanslag voor te stellen die rechtstreeks verband houdt met zijn eigen kenmerken en omstandigheden;
2. af te zien van elke aanwending van willekeurige normen die berekend zijn op de gemiddelden van bedrijven van een zelfde bedrijfstak;
3. de ministeriële beslissingen inzake forfaitaire belastingschalen nauwgezet toe te passen?
In geval het antwoord op die vraag ontkennend is, kan de heer Minister dan zeggen wat zijn bedoelingen op dat stuk zijn?
ANTWOORD
Inkomstenbelastingen
Alleen bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens, geleverd hetzij door de belastingplichtige, hetzij door de administratie, worden de winsten of baten bepaald naar de normale winsten of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen of door gebruik te maken van de forfaitaire grondslagen van aanslag die in overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen werden vastgesteld (cfr. art. 248, § 1, alinea's 1 tot 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen).
Het bestaan van forfaitaire grondslagen van aanslag ontneemt de administratie niet het recht de belastbare inkomsten te bepalen door inzonderheid te steunen op de bewijsmiddelen die zijn neergelegd in de artikelen 246 en 247 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. In alle forfaits, ook in die welke de landbouwsector betreffen, wordt overigens uitdrukkelijk bepaald dat van het forfait mag worden afgeweken indien de werkelijke winst aanzienlijk hoger is dan de forfaitaire winst. De weigering om in bepaalde gevallen een forfait toe te passen is dus in overeenstemming met de ter zake genomen beslissingen.
De blijvende onderrichtingen aan de taxatiediensten van de directe belastingen, die inzonderheid steunen op een overvloedige rechtspraak van de Hoven over dit onderwerp, schrijven voor de regelen in verband met de ter sprake gebrachte taxatiemethodes nauwkeurig toe te passen.
Die richtlijnen leggen ondermeer de nadruk op de noodzakelijkheid om de soortgelijke belastingplichtigen oordeelkundig te kiezen, zodat de vergelijking wel degelijk op vergelijkbare toestanden betrekking heeft. Zij beklemtonen verder dat de forfaitaire grondslagen van aanslag, indien er bestaan, voor het merendeel van de betrokken belastingplichtigen moeten worden toegepast en dat de gevallen van individuele taxatie buiten forfait oordeelkundig te behandelen uitzonderingen moeten blijven.
Belasting over de toegevoegde waarde
De aanslag volgens indiciën en de aanslag bij vergelijking, die door de Administratie der directe belastingen worden toegepast op grond van de artikelen 247 en 248 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, vormen een specifiek bewijs inzake directe belastingen en mogen, uit dien hoofde, niet worden gebruikt om de belastbare omzet op het stuk van de BTW te wijzigen.
Inzake de heffing van de BTW beschikt de administratie, buiten het wettelijke vermoeden ingeschreven in artikel 64 van het Wetboek, alleen over de middelen van het gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, om te bewijzen dat de aangegeven omzet niet alle met BTW belastbare handelingen omvat.
Door dit feit is de administratie bij de controle van de omzet steeds verplicht om ieder geval afzonderlijk te beoordelen rekening houdend met alle kenmerken en bijzonderheden eigen aan de gecontroleerde onderneming.
De bestaande algemene richtlijnen die door de controlediensten van de BTW moeten gevolgd worden, luiden dan ook in de zin als voorgesteld door het geacht Lid.
In die omstandigheden overweeg ik niet thans ter zake nieuwe richtlijnen te verstrekken.
Indien het geacht Lid mij naam en adres wil mededelen van één of ander belastingplichtige die hij in zijn vraag schijnt te beogen, zal ik evenwel een onderzoek doen instellen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.