Erkende jeugdinstellingen. Voeren van reclame. Omgang van de vrijstellingsregel · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

189 10 februari 1989

Zoeken

Erkende jeugdinstellingen. Voeren van reclame. Omgang van de vrijstellingsregel

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/189-erkende-jeugdinstellingen-voeren-reclame-omgang-f614

Nummer
189
Datum
10 februari 1989

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

14 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1989, nr. 052, blz. 3881

Erkende jeugdinstellingen - Voeren van reclame - Omgang van de vrijstellingsregel

VRAAG

Het BTW-Wetboek vermeldt in artikel 44, § 2, 2°, dat organisaties erkend als jeugdorganisatie door het Ministerie van de Vlaamse gemeenschap, vrijgesteld zijn van BTW.

Relevant is dan ook een schrijven waarin de Centrale administratie meedeelt dat, indien een V.Z.W. is erkend voor haar gehele werkzaamheid, zij ook voor haar hele werkzaamheid wordt vrijgesteld van BTW.

Het verwondert me echter in het bulletin van Vragen en Antwoorden nr. 13 van de Kamer, meer specifiek vraag nr. 28 van 22 april 1988 7. Revue nr. 83. blz. 477.

van collega Timmermans, te moeten lezen dat een V.Z.W., indien zij tegen betaling reclame opneemt in tijdschriften, reclame op affiches voert, zij hiervoor BTW-plichtig was en zelfs als gemengde BTW-plichtige zou worden beschouwd.

Mag ik de Minister verzoeken mij mee te delen of deze beslissing niet in tegenstrijd is met een schrijven van de administratie van 4 september 1985?

Misschien heeft de Minister bedoeld dat, indien een erkende organisatie volledig is vrijgesteld, ingeval zij volledig is erkend, dit geldt op de datum van de aanvraag. Misschien heeft die V.Z.W. na de erkenningsdatum ook publicitaire inlassingen in tijdschriften op zich genomen en zal zij hiervoor niet erkend zijn.

Kan de Minister in deze dubieuze situatie een duidelijk standpunt innemen, zodat de V.Z.W.'s weten waaraan zich te houden?

ANTWOORD

Wanneer een jeugdinstelling door de bevoegde overheid is erkend, geldt de in artikel 44, § 2, 2°, van het BTWWetboek bedoelde vrijstelling in de regel ten aanzien van alle door die instelling in het kader van haar doelstelling ten bate van de jeugd gestelde handelingen.

Hetgeen voorafgaat geldt in principe niet ten aanzien van de door bedoelde jeugdinstellingen tegen vergoeding ten bate van derden gevoerde publiciteit. Dergelijke activiteit is immers niet inherent aan de doelstelling van een jeugdinstelling en verleent aan laatstgenoemde in principe de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige, tenzij die activiteit in het kader van de gewone werkzaamheid van de jeugdinstelling als bijkomstig kan worden beschouwd.

Indien het geacht Lid een concreet geval beoogt, zal ik de bevoegde administratie opdracht geven het BTW-statuut van de beoogde jeugdinstelling te onderzoeken indien mij de naam en het adres van die instelling worden meegedeeld.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 441 voorkomen