Verkoop van kunstwerken · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

188 17 mei 1978

Zoeken

Verkoop van kunstwerken

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/188-verkoop-kunstwerken-somers-98d9

Nummer
188
Datum
17 mei 1978

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

25 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer

Verkoop van kunstwerken

VRAAG

Momenteel wordt op de verkoop van kunstwerken een BTW-heffing van 16% geheven. Deze heffing zou in de toekomst opgetrokken worden naar 25%.

Het inkomen van een kunstenaar is zeer wisselvallig en hangt sterk af van "succes en verkoop". Dit geldt nog in versterkte mate voor de full-time kunstenaars wiens inkomen dikwijls zeer laag ligt en erg onregelmatig is. Ongeacht het inkomensbedrag, ongeacht het feit of dit inkomen het levensminimum al dan niet overschrijdt, moet de kunstenaar de BTW-toeslag betalen.

Dienaangaande had ik aan de Minister van Financiën volgende vragen willen stellen:

- Om welke reden de bestaande BTW-Wetgeving geen onderscheid maakt tussen full-time kunstenaars en kunstenaars die een tweede beroep uitoefenen?

- Welke maatregelen er in het kader van de huidige BTW-Wetgeving en de wetgeving inzake personenbelasting bestaan, om aan full-time kunstenaars een wettelijk levensminimum zonder belastingaanslag te garanderen?

- Waarom er in de huidige BTW-Wetgeving geen onderscheid gemaakt wordt inzake BTW-tarieven voor verkoop van kunstwerken door de kunstenaar zelf, en verkoop van kunstwerken door handelaars en derde personen?

ANTWOORD

Een onderscheid moet worden gemaakt tussen de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, en de toepassing van de inkomstenbelasting.

1. Toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

De BTW is een algemene verbruiksbelasting die niet ten laste is van de dienstverrichters en producenten, BTW-belastingplichtigen genoemd, maar wel van de consument. Daarom wordt in de BTW-reglementering dan ook geen onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden die hoofdzakelijk dan wel aanvullend worden uitgeoefend.

De BTW-administratie is zich echter bewust van de praktische moeilijkheden die sommige kunstenaars bij het vervullen van de administratieve formaliteiten ondervinden. Daarom werd voor hen een vereenvoudigde en praktische wijze van betaling van de BTW ingesteld bij de aanschrijving nr. 7, van 12 juni 1974, waarvan een exemplaar aan het geacht Lid zal worden toegezonden.

Inzake tarieven dient te worden opgemerkt dat het door het geacht Lid aangehaalde onderscheid strijdig zou zijn met een algemeen principe van de BTW, namelijk, dat gelijke goederen aan eenzelfde tarief moeten worden onderworpen.

2. Toepassing van de inkomstenbelasting

Het principe van een "wettelijk levensminimum zonder belastingaanslag" wordt, wat de personenbelasting betreft, geconcretiseerd in artikel 79 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, waarvan de tekst als volgt luidt:

De belasting is niet verschuldigd wanneer het belastbaar inkomen de volgende bedragen niet bereikt:

1° 75.000 fr. voor de belastingplichtigen zonder personen ten laste;

2° 82.000 fr. voor belastingplichtigen met één persoon ten laste;

3° 89.000 fr. voor belastingplichtigen met twee personen ten laste;

4° 96.500 fr. voor belastingplichtigen met drie personen ten laste;

5° 131.500 fr. voor belastingplichtigen met vier personen ten laste;

6° 131.500 fr. vermeerderd met 53.000 fr. per persoon ten laste boven de vierde, voor belastingplichtigen met meer dan vier personen ten laste.

Het geacht Lid zal wel willen begrijpen dat er, om diverse voor de hand liggende redenen, niet kan worden overwogen het belastbaar minimuminkomen te laten schommelen naargelang van het uitgeoefende beroep.