Tarief. Onroerend goed. Gebouw. Privé-woning. Herziening aftrek ingevolge wijziging bestemming gebouw. Onroerende · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

188 4 april 1986

Zoeken

Tarief. Onroerend goed. Gebouw. Privé-woning. Herziening aftrek ingevolge wijziging bestemming gebouw. OnroerendeTarief. Onroerend goed. Gebouw. Privé-woning. Herziening aftrek ingevolge wijziging bestemming gebouw. Onroerende verhuur

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/188-tarief-onroerend-goed-gebouw-prive-d0a7

Nummer
188
Datum
4 april 1986

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

18 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, G.Z. 1985-1986 blz. 1910

Tarief - Onroerend goed - Gebouw - Privé-woning - Herziening aftrek ingevolge wijziging bestemming gebouw - Onroerende verhuur

VRAAG

De toepassing van het tot 6 % verlaagd BTW-tarief in de bouwsector blijkt in bepaalde situaties voor concrete toepassingsproblemen te zorgen.

Een grote stroom van klachten heeft betrekking op voornamelijk volgende situatie. Een persoon bouwt of verbouwt uit hoofde van «particulier» een woning en geniet als dusdanig een BTW-tarief van 6 %. Nadien verhuurt hij dit gebouw aan een natuurlijke en/of rechtspersoon die als huurder er een zelfstandige activiteit uitbaat.

Naar verluidt geeft juist deze laatste activiteit aanleiding om de eigenaar, en dus vroegere bouwheer, te verplichten het genoten BTW-tarief te regulariseren tot 17 %.

Desbetreffend mocht ik van de Minister vernemen :

1) waarom de administratie van Financiën een latere bestemming van een bouw en/of herbouwing aangrijpt tot regularisering van het toegestane bouwtarief;

2) of de bouwheer, na een eventuele regularisatie, opnieuw een herziening kan inleiden bij de administratie zo mocht blijken dat de uitgebate zelfstandige activiteit na bijvoorbeeld een paar maand reeds wordt gestaakt;

3) of een hogervermelde regularisatie aanleiding geeft tot een dubbel supplementaire BTW-inning, te weten bij de bouwheer en bij de aannemer.

ANTWOORD

1. De tijdelijke bepaling van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven verlaagt, onder welbepaalde voorwaarden, het BTW-tarief tot 6 % voor de door deze bepaling beoogde onroerende handelingen, voor zover deze betrekking hebben op een woning, hoofdzakelijk gebruikt of bestemd om te worden gebruikt als privé-woning.

Wanneer, zoals in het door het geacht Lid beoogde geval, een gebouw wordt opgericht of verbouwd in opdracht van de eigenaar, met het oogmerk het te verhuren, mag het tarief van 6 % voor de onroerende handelingen slechts worden toegepast indien het gebouw naar alle waarschijnlijkheid na de verhuur zal dienen voor een dergelijk gebruik.

Wanneer er twijfel bestaat omtrent de bestemming die aan het verhuurde gebouw zal worden gegeven is, in de regel, het tarief van 17 % van toepassing; uiteraard is hetzelfde toepasselijk wanneer het gebouw normaliter bestemd is voor beroepsgebruik .

2. Het behoud van deze oorspronkelijke heffing is evenwel afhankelijk van de werkelijke bestemming die de huurder aan het bedoelde gebouw zal geven. Het tarief van 6 % kan slechts behouden blijven indien de waarschijnlijkheid van privé-bestemming door de werkelijkheid wordt bevestigd. Evenzo kan het tarief van 17 %, toegepast wegens de bestaande twijfel, worden herzien indien het gebouw uiteindelijk wordt verhuurd voor een gebruik als privéwoning, dat het tarief van 6 % rechtvaardigt.

Om te beoordelen of de bestemming het tarief van 6 % of dit van 17 % op definitieve wijze rechtvaardigt dient men zich, in principe, te houden aan de eerste bestemming gegeven aan het verhuurde gebouw na zijn oprichting of verbouwing. Nochtans, indien deze eerste bestemming toevallig, van korte duur en strijdig was met de normale bestemming van het gebouw zoals dit werd opgevat, is het niet uitgesloten dat, na onderzoek van ieder geval afzonderlijk men rekening zal houden met de daaropvolgende meer betekenisvolle bestemming. Dit zou meer bepaald het geval zijn indien een gebouw, bedoeld als kantoorruimte, voorlopig en voor een korte duur zou worden aangewend als privé-woning of indien een gebouw bedoeld als privé-woning onder dezelfde precaire voorwaarden voor beroepsdoeleinden zou worden aangewend.

3. Wanneer verkeerdelijk het tarief van 6 % op de factuur werd vermeld, in het bijzonder ten gevolge van onjuiste aanwijzingen betreffende de aard en de bestemming van de belastbare handeling, heeft de administratie op grond van de hoofdelijkheid ingesteld bij artikel 53 van het BTW-Wetboek de mogelijkheid om de bijkomende belasting van de aannemer of de medecontractant te vorderen.

Wanneer de aannemer niet bij machte is op objectieve wijze het tarief van de verschuldigde belasting te bepalen en voor zover hij aan de klant een attest heeft gevraagd op basis waarvan hij de verschuldigde belasting heeft bepaald, zal de administratie met dit feit rekening houden en de aanvullende belasting bij voorrang ten laste van de klant vorderen.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 20 art. 11 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen

Administratieve doctrine

1

« … toevallig, van korte duur en strijdig is met de normale bestemming van het gebouw, zoals dit werd verondersteld, kan rekening worden gehouden met een daaropvolgende, meer betekenisvolle bestemming (Aanschrijving nr. 6 van 22.08.1986, punten 40 en 41; zie ook Parl. Vr. nr. 188 VANRENTERGHEM 04.04.1986 , Vr. en Antw. Kamer, 1985-1986, nr. 19, 1910). Dit is meer bepaald het geval in de hiervoor beschreven scenario’s van “tijdelijke onderverhuur” en “permanente onderverhuur” door de tweede aanvrager (zie respectievelijk randnummers 17 en 18). 33. Doordat de … »

VrijstellingVoorafgaande beslissing29.06.2016

Bekijk het document