Vr. en Antw., Kamer G.Z. 1975-1976 blz. 2742
Onroerend goed - Gebouw - Bouwmateriaal - Bouwsector - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Minimummaatstaf van heffing - Bouwmateriaal - Deskundige schatting - Bouwwaarde - Bewijs - Bouwdossier
VRAAG
Iemand koopt bij een buitenlandse onderneming een geprefabriceerde woning. Hij monteert zelf deze woning daar hij het bedrag dat de ondernemer vraagt te hoog vindt. Binnen de gestelde termijn dient hij de aangifte in voorzien bij artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek.
De controleur stelt echter een hogere normale waarde vast en na aftrek van de normale waarde van het eigen werk dient hij aanvullende BTW en een boete te betalen voor het verschil.
Het verschil tussen de schatting van de controleur en de voorgelegde fakturen is meer dan 1/8.
De eigenaar voert aan dat hij niet meer betaald heeft. Het blijkt trouwens duidelijk uit de invoerdocumenten welke hij ter staving voorlegt.
De controleur handhaaft echter zijn raming en beroept zich hiervoor op interne instructies.
Graag ontving ik antwoord op wat volgt:
1° Kan de Minister mij verzekeren of er interne instructies bestaan welke het een BTW-controleur mogelijk maken systematisch de waarde van een nieuwbouw hoger te belasten dan de werkelijke bouwwaarde ?
2° Indien deze instructies niet bestaan, hoe en op welke grond kan dan een BTW-controleur weigeren de invoerdokumenten, welke gevalideerd werden door een ambtenaar van hetzelfde Ministerie van financiën, als bewijsstukken te aanvaarden ?
ANTWOORD
1° De administratie van de BTW, registratie en domeinen is belast met de controle op de heffing van de BTW wat betreft werk in onroerende staat dat betrekking heeft op een pas opgericht gebouw, deze controle bestaat erin na te gaan of de maatstaf van heffing van de BTW niet lager is dan de normale waarde zoals die is bepaald in artikel 32, tweede lid, van het BTW-Wetboek .
Ten einde haar ambtenaren behulpzaam te zijn bij het bepalen van die normale waarde heeft de administratie hun interne en bijzondere richtlijnen gegeven.
Ik kan het geacht Lid verzekeren dat het toepassen van die richtlijnen geenszins tot gevolg heeft dat de normale oprichtingsprijs van een gebouw systematisch op een hoger bedrag wordt vastgesteld dan het totaal bedrag van de overeengekomen en gefaktureerde prijzen.
2° Op grond van artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek wordt een vermoeden juris tantum ingesteld naar luid waarvan ieder pas opgericht gebouw wordt geacht door een belastingplichtige te zijn geleverd ter uitvoering van een of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat.
De eigenaar kan door alle middelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, het tegenbewijs leveren door aan te tonen dat er in bepaalde mate geen dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat is geweest.
Dat is onder meer het geval wanneer de eigenaar bewijst dat hij zelf het werk in onroerende staat tot oprichting van zijn woning heeft verricht met bouwmaterialen die hij hier te lande heeft aangekocht.
Ten aanzien van bouwmaterialen aangekocht bij een in het buitenland gevestigde aannemer van geprefabriceerde woningen kan er evenwel twijfel bestaan of de betrokken eigenaar als geadresseerde van de ingevoerde goederen kan optreden zoals bepaald in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 7 van 12 maart 1970.
In die omstandigheden ware het wenselijk dat het geacht Lid mij naam en adres van de betrokken eigenaar mededeelde, ten einde mij in staat te stellen te onderzoeken of het door de BTW-hoofdcontroleur ingenomen standpunt al dan niet gegrond is.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.