Beknopt Verslag, Kamercommissie Financiën, Com 175, blz. 23-25
Onroerende leasing - Gemeentebedrijven
VRAAG
(nr. 1834 van de heer Pinxten)
Gemeenten zijn niet BTW-plichtig. Wanneer een BTW-plichtig autonoom gemeentebedrijf een gebouw in leasing geeft aan een gemeente, kan de gemeente bij de overname van het gebouw op het einde van de leasingperiode een deel van de BTW recupereren. Blijft die regeling bestaan?
VRAAG
(nr. 1895 van de heer Devlies)
Aangezien er op mijn schriftelijke vraag van 9 januari 2004 niet tijdig een antwoord kwam, herhaal ik deze vandaag mondeling. Mijn vragen gaan over het KB nr. 30 van 29 december 1992 over de onroerende financieringshuur of onroerende leasing.
Moeten bij de beoordeling van de wedersamenstellingsvoorwaarde bedoeld in dat KB zowel de periodieke vergoedingen als de optie in aanmerking worden genomen? Zo ja, zal de minister zijn administratie opdracht geven de wet eenvormig toe te passen? Zo neen, kan hij dan de verenigbaarheid van dat standpunt met de instructies die hij zijn administratie zal geven rond de invordering van de BTW die door leasinggevers in aftrek is gebracht op boekhoudkundige non full pay out contracten toelichten? Overweegt de minister in dat geval leasinggevers die in het verleden non full pay out leasings onder toepassing van de BTW afsloten, te vergoeden voor de schade die zij leden ten gevolge van de blijkbaar verkeerde inlichtingen waarop zij zich baseerden?
Indien de minister meent dat een onroerende leasing met relatief lage periodieke vergoedingen en een hoge optie moet beschouwd worden als een louter symbolische waarde, waarop is dit dan wettelijk gebaseerd? Wat is dan de minimumwaarde die de periodieke vergoedingen moeten bedragen om als handeling ten bezwarende titel te worden aanvaard door de administratie? Verschilt het antwoord daarop naargelang de leasinggever een openbaar bestuur, een VZW, een burgerlijke vennootschap, een handelsvennootschap of een natuurlijk persoon is?
ANTWOORD
(van de heer Reynders, minister van Financiën)
In tegenstelling tot wat de heer Pinxten meent, kan een gemeente bij de overname van een gebouw op het einde van een leasing de BTW niet recupereren. De overdracht van het gebouw is in zo'n geval immers vrijgesteld van BTW op grond van artikel 44, § 3, 2° van het BTW-wetboek, aangezien het gebouw dan niet meer als nieuw kan worden beschouwd in de zin van artikel 44, § 3, 1°, b.
Betreffende de onroerende leasing is het de ratio legis dat het geïnvesteerd kapitaal, waarop de geheven BTW in aftrek wordt gebracht, vervat is in de verschuldigde en belastbare huurtermijnen. In mijn antwoorden op de schriftelijke vragen nrs 251 en 1219 lichtte ik de draagwijdte van het KB nr. 30 toe.
Om een correcte verhouding periodieke vergoedingen - optiebedrag te bepalen werd contact opgenomen met vertegenwoordigers van professionele leasingmaatschappijen. Er kan nu nog geen definitief standpunt worden ingenomen.