Invoer van autovoertuigen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

18 28 november 1977

Zoeken

Invoer van autovoertuigen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/18-invoer-autovoertuigen-fevrier-fa19

Nummer
18
Datum
28 november 1977

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

20 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat

Invoer van autovoertuigen

VRAAG

Sedert enkele maanden wordt door de administratie van Douane en van de BTW een systematische grenscontrole uitgeoefend o.m. aan de Belgisch-Nederlandse grens.

Thans wordt echter vastgesteld dat, in België gedomicilieerde Nederlanders, rijdende met een autovoertuig van hun Nederlandse firma (de auto is dus in Nederland aangekocht en ingeschreven en draagt terecht een Nederlandse nummerplaat), worden tegengehouden en met een proces-verbaal bedacht voor "wederrechtelijk gebruik". Ook een BTW op de invoer wordt geëist.

Naar mijn mening kan de administratie hier geenszins het vermoeden van "invoer" en dus BTW-aangifteplicht aanhouden, daar de eigendom van het voertuig gemakkelijk en onomstotelijk kan bewezen worden. Omgekeerd voorziet het verdrag van Rome in vrij verkeer van goederen en diensten.

Graag vernam ik dan ook van de geachte Minister op welke rechtsgronden de administratie zich steunt om haar actie te rechtvaardigen.

ANTWOORD

Artikel 3 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde onderwerpt aan de belasting de invoer van goederen, ongeacht door wie de invoer wordt gedaan.

Autovoertuigen kunnen evenwel met vrijstelling van BTW worden ingevoerd indien het gaat om een tijdelijke invoer (art. 25 - cijfer 21 van de lijst bedoeld in dat artikel - van het koninklijk besluit nr. 7 van 12 maart 1970, met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de BTW). De vrijstelling wordt verleend onder de voorwaarden die inzake vrijstelling van invoerrecht voor tijdelijke invoer van autovoertuigen zijn gesteld bij artikel 25 van het ministerieel besluit van 17 februari 1960.

Inzonderheid mag, krachtens dat artikel, aan natuurlijke personen het stelsel van de tijdelijke vrijstelling bij invoer slechts verleend worden zo de belanghebbenden hun normale verblijfplaats in het buitenland hebben en ze de vervoermiddelen voor hun persoonlijk gebruik bezigen.

Voor de toepassing van die bepaling worden geacht hun normale verblijfplaats in het buitenland te hebben:

a) De personen die, zonder zich in België te vestigen, er slechts vertoeven gedurende een of meer korte tijdspannen die in totaal geen zes maanden per kalenderjaar bereiken;

b) De personen - andere dan die bedoeld-onder d) - die in België een tweede verblijf hebben en er in totaal minder dan zes maanden per kalenderjaar vertoeven;

c) De personen die voor maximum twee jaar in België vertoeven; nadien kunnen de belanghebbenden andermaal geen vrijstelling genieten tenzij zij teruggekeerd zijn naar het buitenland gedurende ten minste één jaar te rekenen van de datum waarop hun verblijf in België een einde genomen heeft;

d) De personen die hun bezigheid in België hebben, maar ten minste eens per maand naar het buitenland terugkeren, wanneer zij er hun haardstede hebben, of, wanneer zij geen haardstede hebben, in het buitenland ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters.

In het door het geachte lid beoogde geval gaat het om personen die in België zijn gedomicilieerd. Indien ze niet behoren tot de hierboven genoemde personen die geacht worden hun normale verblijfplaats in het buitenland te hebben, kunnen ze geen aanspraak op vrijstelling maken. Volgens het vorengenoemd artikel 25 worden overigens de personen die hun bezigheid in het buitenland hebben geacht hun normale verblijfplaats in België te hebben, wanneer zij in België hun haardstede hebben, of, wanneer zij geen haardstede hebben, in België ingeschreven zijn in de bevolkings- of in de vreemdelingenregisters.

Het feit dat de auto eigendom is van een Nederlandse firma doet niets ter zake.

Opgemerkt zij dat de vorengenoemde bepalingen niet strijdig zijn met het verdrag van Rome. De kwestie van dubbele belasting in de verscheidene EEG-Lid-Staten is bij de EEG-instanties gekend en een oplossing voor dat probleem is in onderzoek.

Tenslotte zij erop gewezen dat het gebruik van een wagen die in het buitenland geïmmatriculeerd is, nog problemen kan stellen, hetzij op het stuk van de verkeersbelasting, hetzij op het stuk van de reglementering inzake immatriculatie van de voertuigen.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 31 voorkomen