Vr. en Antw., Kamer G.Z. 1972-1973 blz. 255
Bewijs - Omzet - Aangroei van de voorraad - Inventaris - Ontvangstendagboek - Voorraadschommeling - Forfaitaire regeling - Vermoeden - Stock
VRAAG
De belastingplichtigen-kleinhandelaars (minder dan 5 miljoen) welke niet van een forfaitair stelsel kunnen genieten en tevens in de praktische onmogelijkheid zijn jaarlijks een inventaris op te maken worden in een moeilijke en onaanvaardbare toestand geplaatst.
ANTWOORD
Deze belastingplichtigen vallen noodgedwongen onder het normale stelsel en doen hun driemaandelijkse aangifte op basis van het ontvangstenboek.
Ingevolge de voorraadschommeling (die niet kan worden gepreciseerd) komt het bedrag van het ontvangstenboek niet overeen met de aankopen verhoogd met de brutowinst. Dientengevolge belast de BTW-administratie het verschil.
Bijkomend wordt over het algemeen nog een boete van 50 % toegepast + interesten.
Daar de betrokkene kleinhandelaar alle wettelijk verplichtingen nakomt meent de heer Minister niet dat het niet verantwoord is een boete toe te passen ?
Anderzijds, in het kader van de vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten kan er niet overwogen worden in de toekomst voor deze belastingplichtigen de verplichting van het register der dagelijkse ontvangsten af te schaffen en de driemaandelijkse aangifte van de BTW te doen op basis van hun aankoopboek verhoogd met de verantwoorde brutowinst ?
Antwoord: Voor de meeste kleinhandelszaken met een werkzaamheid die erin bestaat de ingekochte goederen, zonder be- of verwerking, weder te verkopen, zijn forfaitaire grondslagen van aanslag vastgesteld door de inkoopprijs te vermeerderen met een winstpercentage (textiel, schoenen, levensmiddelen, boeken, enz.).
De administratie is evenwel steeds bereid die forfaitaire grondslagen van aanslag uit te breiden tot andere kleinhandelszaken, wanneer de betrokken bedrijfsgroeperingen in die zin een aanvraag indienen en voor zover het mogelijk is zulke grondslagen uit te werken.
Ingeval er geen forfaitaire grondslagen van aanslag bestaan, kan de administratie vanzelfsprekend geen genoegen nemen met het eenvoudig vaststellen van het feit dat de belastingplichtige een dagboek van ontvangsten houdt. Ze moet verifiëren of alle verkopen in het klein zijn ingeschreven in dat register.
Te dien einde kan ze gebruik maken van alle rechtsmiddelen en onder meer van het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1, van het BTW-wetboek, op grond waarvan een ieder die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, geacht wordt de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.
Tegen dat vermoeden mag echter het tegenbewijs worden geleverd, onder meer door aan te tonen dat de voorraad is aangegroeid. In dat verband verwijs ik naar mijn antwoord op de vraag nr. 63 gesteld op 10 april 1972 door de heer senator Lavens (bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1971-1972 nr. 11, blz. 481-482).
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.