Verlaagd tarief. Afbraak en heropbouw in stadsgebieden · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1643 19 april 2007

Zoeken

Verlaagd tarief. Afbraak en heropbouw in stadsgebieden

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1643-verlaagd-tarief-afbraak-heropbouw-in-1aea

Nummer
1643
Datum
19 april 2007

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

13 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 164, blz. 32164-32165

Verlaagd tarief - Afbraak en heropbouw in stadsgebieden

VRAAG

Via artikel 56 van de programmawet (I) van 27 december 2006 werd in tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, een nieuwe rubriek XXXVII gevoegd die voorziet in een verlaagd tarief van 6 pct. voor werken in onroerende staat die tot voorwerp hebben de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning.

Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan het vervullen van een aantal voorwaarden. Zo moet het gaan om handelingen die betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt. Voorts moet de handeling verstrekt en gefactureerd worden door een geregistreerd aannemer en dient de bouwheer bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde van het ambtsgebied waarin het gebouw is gelegen een verklaring in te dienen.

Tenslotte dienen de handelingen betrekking te hebben op een woning die gelegen is in één van de stadsgebieden zoals bepaald door de bevoegde overheid van de grote steden opgesomd in de koninklijke besluiten van 12 augustus 2000, 26 september 2001 en 28 april 2005 ter uitvoering van artikel 3 van de wet van 17 juli 2000 tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid. De afbakening van die stadsgebieden vindt onder meer haar oorsprong in het Lenteprogramma «Wie Werkt Wint» dat werd goedgekeurd op de Ministerraad van 17 maart 2000. Dit programma had tot doel om steden te ondersteunen bij het uitvoeren van door de federale Staat gestelde taken inzake maatschappelijke integratie, tewerkstelling, bestrijding van stedelijke criminaliteit en projecten onder bevoegdheid van de Regie der Gebouwen. De afbakening gebeurde op basis van de volgende criteria : inwonersaantal, al of niet behoren tot een stadsgewest, aantal inwoners met bestaansminimum en aantal tewerkgestelden ten opzichte van het regionale gemiddelde. Door terug te grijpen naar voornoemde afbakeningscriteria vallen heel wat steden uit de boot, ondanks het feit dat ze intussen bijvoorbeeld een Vlaamse centrumstad zijn geworden. Turnhout is een mooi voorbeeld hiervan.

1. Komt er een actualisering van de afbakening van de plaatselijke overheden die een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid met het oog op de invoering van het verlaagd BTW-tarief ?

2. Zo ja, zal te dien einde rekening worden gehouden met het gegeven dat een stad intussen wordt aangemerkt als bijvoorbeeld Vlaamse centrumstad ?

ANTWOORD

(vice-eersteminister en minister van Financiën, 25.04.2007)

Bij de invoering van rubriek XXXVII van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 werd geopteerd om het voordeel van het verlaagde BTW-tarief met betrekking tot de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning te beperken tot de woningen gelegen in de stadsgebieden zoals bepaald door de bevoegde overheid van de grote steden opgenomen in de ter zake geldende wetgeving.

In het kader van de nieuwe programmawet wordt voorgesteld om de bepaling aan te passen in die zin dat de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die gelegen is in één van de grote steden opgesomd in de koninklijke besluiten van 12 augustus 2000, 26 september 2001 en 28 april 2005 ter uitvoering van de wet van 17 juli 2000 tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid.

Deze aanpassing is nodig om op ondubbelzinnige manier aan te duiden dat alle 32 steden die opgenomen zijn in het koninklijke besluit van 12 augustus 2000, binnen het toepassingsgebied van de bepaling vallen.

Het voorgaande impliceert ook dat de regeling voorlopig niet uitgebreid wordt naar andere steden.