Vr. en Antw., Senaat
Dienstverrichting - Ontvanger van de dienst handelend voor beroepsdoeleinden - Begrip - Plaats van de dienst - Zesde EEG-Richtlijn
VRAAG
Krachtens artikel 21, § 3, 7°, van het BTW-Wetboek worden sommige diensten geacht verstrekt te zijn op de plaatsen waar de afnemer gevestigd is, mits deze voor de behoeften van zijn bedrijf handelt.
Dit wordt traditioneel geïnterpreteerd als: onderworpen aan de BTW ingevolge de Zesde Richtlijn ter zake.
Kan men stellen dat alleen particulieren en openbare instellingen niet voor de behoeften van hun bedrijf handelen, m.a.w. dat voor de toepassing van artikel 21, § 3, 7°, alle personen, verenigingen en vennootschappen die een bedrijvigheid uitoefenen en vrijgesteld zijn krachtens artikel 44 van het Wetboek, wel voor de behoeften van hun bedrijf handelen?
Wanneer een van de in artikel 6 bedoelde instellingen in het kader van hun gewone opdracht verrichtingen uitvoert met vrijstelling ingevolge artikel 44, handelt ze dan zoals bedoeld in artikel 21, § 3, 7°, wanneer ze diensten koopt die vervat zijn in de limitatieve opsomming van laatstgenoemde bepaling?
ANTWOORD
Voor de diensten beperkend opgesomd in artikel 21, § 3, 7°, van het BTW-Wetboek wordt, in afwijking van § 2 van artikel 21 van hetzelfde Wetboek, als plaats van de dienst aangemerkt de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn beroepswerkzaamheid heeft gevestigd, of bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Europese Economische Gemeenschap is gevestigd of aan een ontvanger die in die Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor beroepsdoeleinden.
Zoals het geachte Lid opmerkt, moet, om de draagwijdte van die bepaling na te gaan, noodzakelijkerwijs worden verwezen naar de Zesde Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 Z. Revue nr. 30, blz. 263 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting.
Welnu, in artikel 9, lid 2, e, van bovengenoemde richtlijn waarop artikel 21, § 3, 7°, van het Belgisch BTW-Wetboek steunt, is er sprake van «ontvangers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd» en van «belastingplichtigen gevestigd in die Gemeenschap maar buiten het land van de dienstverrichter».
Het is dan ook in de betekenis van een fysieke - of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn hoedanigheid van belastingplichtige, in de zin van de bovengenoemde Zesde Richtlijn, dat de term «ontvanger die handelt voor beroepsdoeleinden» moet worden geïnterpreteerd.
Overeenkomstig artikel 4 van bedoelde richtlijn wordt als belastingplichtige beschouwd ieder die, ongeacht op welke plaats en ongeacht het oogmerk of het resultaat, zelfstandig een economische activiteit verricht van fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Wat de Staat, de regio's, de gewesten, de provincies, de gemeenten en de andere publiekrechtelijke lichamen betreft, zij worden niet als belastingplichtigen aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.
Bijgevolg zijn enkel de personen die geen economische werkzaamheid uitoefenen in de zin van hetgeen hierboven werd gezegd en de openbare instellingen handelend als overheid, geen belastingplichtigen in de zin van artikel 4 van de Zesde Richtlijn.
Dit betekent dat de personen die werkzaamheden uitoefenen welke vrijgesteld zijn door artikel 44 van het Wetboek (dat in het nationaal recht artikel 13 van de Zesde Richtlijn overneemt) belastingplichtigen zijn in de zin van bedoelde richtlijn, welke geen met artikel 5 van het Belgisch BTW-Wetboek overeenstemmende bepaling kent. Het betreft bijgevolg «ontvangers die handelen voor beroepsdoeleinden» in de betekenis van artikel 21, § 3, 7°, van het Belgisch BTW-Wetboek.
Wat de instellingen bedoeld in artikel 6 van dit Belgisch Wetboek betreft, bepalen de leden 2 en 3 van artikel 4, § 5, van de Zesde Richtlijn dat zij moeten worden beschouwd als belastingplichtige voor de werkzaamheden of handelingen die zij verrichten als overheid, in de mate dat hun niet-onderwerping aan de belasting tot concurrentievervalsing van enige betekenis zou leiden en in elk geval voor de met name in bijlage D van bovengenoemde richtlijn genoemde werkzaamheden, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn.
Bijgevolg worden bedoelde instellingen als belastingplichtige aangezien, zowel in de gevallen waarin zij niet handelen als overheid als in de gevallen waarin zij, hoewel handelend als overheid, door de bepalingen van de leden 2 en 3 van artikel 4, § 5, van de Zesde Richtlijn worden beoogd. Zulks is bijvoorbeeld het geval voor openbare instellingen die werkzaamheden verrichten welke vrijgesteld zijn door artikel 44 doch niet handelen als overheid.
In al de gevallen waarin, overeenkomstig de Zesde Richtlijn, deze instellingen, bedoeld in artikel 6 van het Belgisch BTW-Wetboek dienen te worden aangemerkt als belastingplichtigen, zullen zij beschouwd worden als «ontvangers die handelen voor beroepsdoeleinden» in de zin van artikel 21, § 3, 7°, van hetzelfde Wetboek.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.