Periodieke BTW-aangiften. Kwartaalaangiften. Optiemogelijkheid voor maandaangiften · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

157 25 maart 1983

Zoeken

Periodieke BTW-aangiften. Kwartaalaangiften. Optiemogelijkheid voor maandaangiften

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/157-periodieke-btw-aangiften-kwartaalaangiften-optiemogelijkheid-a786

Nummer
157
Datum
25 maart 1983

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

15 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat

Periodieke BTW-aangiften - Kwartaalaangiften - Optiemogelijkheid voor maandaangiften

VRAAG

Als ik het goed voorheb, stelt artikel 50, § 1, 2°, van het Wetboek van de BTW dat de belastingplichtige zijn verrichtingen maandelijks moet aangeven; artikel 50, § 2, eerste lid, machtigt de Koning om sommige belastingplichtigen toe te staan driemaandelijkse aangiften in te dienen.

Laatstgenoemde aangiften zijn dus blijkbaar een: mogelijkheid waarvoor sommige belastingplichtigen kunnen opteren, geen regeling die hun kan opgelegd worden.

Sommigen hebben er belang bij maandelijkse aangiften in te dienen, hoewel hun omzet op verre na niet 20 miljoen frank bedraagt: dat is het geval wanneer hun omzet zeer ongelijk is volgens de maand van het jaar.

In model 604 A "Aangifte van het begin van een bedrijvigheid" wordt de betrokkene evenwel gevraagd (vak 11, c) of zijn omzet meer dan 20 miljoen per jaar zal bedragen.

Als hij ja antwoordt, dan past het bestuur de maandelijkse regeling toe.

Als hij neen antwoordt, vindt hij in de aangifte nergens een plaats waarin hij zijn voorkeur voor die regeling kan uitdrukken.

Wegens die leemte in de aangifte wordt op sommigen van ambtswege de driemaandelijkse regeling toegepast hoewel zij een maandelijkse aangifte verkiezen, daar hun kasmiddelen niet volstaan voor de vooruitbetaling van voorschotten.

Welke maatregelen treft u ter zake om, overeenkomstig de regeringsverklaring, de toestand van de KMO's te verbeteren?

ANTWOORD

Overeenkomstig artikel 16, eerste alinea, van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, is de belastingplichtige gehouden uiterlijk de twintigste van iedere maand de in artikel 50, § 1, 3°, van het BTW-Wetboek bedoelde aangifte in te dienen bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert.

Evenwel moet de belastingplichtige van wie de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, niet meer bedraagt dan twintig miljoen frank, slechts om de drie maanden een aangifte indienen, uiterlijk de twintigste van de eerste maand na ieder kalenderkwartaal. Hij kan evenwel onder de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden worden gemachtigd om uiterlijk de twintigste van iedere maand een aangifte in te dienen (zie art. 16, al. 2, van voornoemd koninklijk besluit nr. 1).

Een administratieve aanschrijving gepubliceerd in 1971 (nr. 111) met betrekking tot de periodieke aangiften inzake de belasting over de toegevoegde waarde, voorziet dat de belastingplichtige die vanaf de aanvang van zijn werkzaamheid van deze mogelijkheid wenst gebruik te maken, deze keuze moet uitoefenen in de aangifte van aanvang van werkzaamheid, voorzien bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 10 van 12 maart 1970, waardoor zijn beslissing onmiddellijke uitwerking heeft. De optie voor de normale regeling van de BTW - d.w.z. maandaangiften - is voorzien in kader 111, rubriek g, van het formulier nr. 604 A.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 502 voorkomens