Maatstaf van heffing. Keur- en controlerechten. Instituut voor veterinaire keuring · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

15 6 juli 1995

Zoeken

Maatstaf van heffing. Keur- en controlerechten. Instituut voor veterinaire keuringMaatstaf van heffing. Keur- en controlerechten. Instituut voor veterinaire keuring.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/15-maatstaf-heffing-keur-controlerechten-instituut-cfe6

Nummer
15
Datum
6 juli 1995

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

21 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1995-1996, nr. 2, blz. 161-162

BTW-Revue nr. 117, blz. 1057

Maatstaf van heffing - Keur- en controlerechten - Instituut voor veterinaire keuring.

VRAAG

In de praktijk wordt artikel 26, laatste lid, van het BTW-wetboek verschillend toegepast. De IVK keurrechten in de vleessector, worden de ene keer wel in de maatstaf van heffing opgenomen en de andere keer niet. Artikel 26 is duidelijk : "Belastingen, rechten en heffingen moeten eveneens in de maatstaf van heffing worden opgenomen." Dikwijls wordt echter ook artikel 28, 5°, ingeroepen : "sommen voorgeschoten door de leverancier of de dienstverrichter voor uitgaven die hij ten name en voor rekening van zijn medecontractant heeft gedaan" behoren niet tot de maatstaf van heffing.

Wat is de juiste interpretatie ?

ANTWOORD

Ingevolge de aanpassing op 1 januari 1993 van de Belgische BTW-wetgeving aan de Europese richtlijnen werd artikel 26 van het BTW-wetboek uitgebreid met de bepaling dat belastingen, rechten en heffingen eveneens in de maatstaf van heffing voor de berekening van de BTW moeten worden opgenomen.

Bijgevolg, wanneer de door de bevoegde overheid ingestelde belastingen, rechten en heffingen, andere dan de belasting over de toegevoegde waarde, verschuldigd zijn in hoofde van de leverancier van de goederen of de dienstverrichter en van hem worden gevorderd, moeten deze in de maatstaf van heffing worden opgenomen voor de berekening van de BTW verschuldigd voor de geleverde goederen en de verstrekte diensten, in de mate waarin ze, zelfs afzonderlijk en voor het juiste bedrag, aan de klant worden aangerekend.

Slechts wanneer de belastingen, rechten en heffingen werkelijk een voorschot uitmaken in de zin van artikel 28, 5°, van het BTW-wetboek, d.w.z. dat zij niet verschuldigd zijn in hoofde van de leverancier of dienstverrichter zelf maar dat deze ze voorschiet in naam en voor rekening van zijn medecontractant die dan door de reglementering die betreffende belastingen, rechten en heffingen invoert als schuldenaar wordt aangeduid, dienen deze niet in de maatstaf van heffing van de levering of dienst te worden opgenomen voor de berekening van de BTW.

De keur- en controlerechten bestemd voor het Instituut voor veterinaire keuring worden thans geregeld door de wet van 14 juli 1994 betreffende de financiering van het Instituut voor veterinaire keuring (Belgisch Staatsblad van 8 oktober 1994), die met terugwerkende kracht tot op 1 april 1989 het koninklijk besluit van 25 januari 1989 ter zake vervangt.

Deze rechten zijn tweeërlei :

a) Rechten bestemd om de kosten te dekken van het gezondheidsonderzoek van de slachtdieren vóór de slachting en van de keuring na het slachten (z. art. 2 en 3 van de wet van 14 juli 1994).

De eigenaar van de dieren wordt aangemerkt als de werkelijke schuldenaar van de rechten.

Deze rechten die door het slachthuis, dat ter zake slechts optreedt als inningsorganisme, afzonderlijk en voor het juiste bedrag aan de eigenaar van de dieren worden aangerekend en die bijgevolg een voorschot uitmaken in de zin van artikel 28, 5°, van het BTW-wetboek, behoren niet tot de maatstaf van heffing en zijn derhalve niet aan de BTW onderworpen.

De rechten die de eigenaar van de dieren op zijn beurt doorrekent aan zijn medecontractant behoren wel tot de maatstaf van heffing van de levering.

b) Rechten bestemd om de kosten te dekken van de gezondheidscontroles uitgevoerd in de groot- en kleinhandelsbedrijven (z. art. 5 van de wet van 14 juli 1994).

Bedoelde rechten zijn verschuldigd door de laatste eigenaar van de produkten voor ze aan de eindverbruiker worden geleverd.

In dat geval worden die rechten die afzonderlijk en voor het juiste bedrag tot en met de levering aan de laatste eigenaar van de goederen worden doorgerekend, aangemerkt als voorschotten in de zin van artikel 28, 5°, van het BTW-wetboek en behoren ze niet tot de maatstaf van heffing.

Bij de levering van de produkten door de laatste eigenaar aan de verbruiker daarentegen kunnen de betreffende rechten niet meer als een voorschot in de zin van bovengenoemd artikel worden aangemerkt zodat ze in dat geval in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen.

Wanneer bovengenoemd onderscheid tussen de rechten bedoeld onder a en b niet kan worden gemaakt, primeert uiteraard het algemeen principe van artikel 26 van het BTW-wetboek.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 263 voorkomens
WBTW art. 283 voorkomens