Kaairechten · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1484 14 september 1998

Zoeken

Kaairechten

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1484-kaairechten-vanlerberghe-0bf9

Nummer
1484
Datum
14 september 1998

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

20 paragrafen

BTW-Revue nr. 141, blz. 311

Vr. en Antw., Kamer, 1998-1999, nr. 151, blz 20628

Kaairechten

VRAAG

Artikel 6 van het Wetboek van de belastingen over de toegevoegde waarde bepaalt dat de Staat, de gemeenten en de openbare instellingen geen belastingplichtigen zijn.

Onlangs kregen enkele gemeenten in West-Vlaanderen een brief van de BTW-administratie, waarbij meegedeeld werd dat de gemeentelijke belasting op kaairechten (belasting op het aanleggen, laden en lossen) onder toepassing van de BTW-reglementering valt.

Dit verwondert me ten zeerste aangezien het hier over een gemeentelijke belasting gaat, goedgekeurd door de gemeenteraad op basis van zijn fiscale bevoegdheid en onderworpen aan het administratief toezicht van de hogere overheid.

De belasting wordt geheven voor een tijdelijke ingebruikname van het openbaar domein. Er is hier zeker geen verband te leggen met een concessie of met een overdracht van rechten zoals bepaald in het BTW-Wetboek.

Naast het fiscaal doel heeft de belasting enkel het oogmerk een vlot en geordend gebruik van het openbaar domein te bevorderen, eenzelfde oogmerk dat men vindt bij de belasting op het parkeren (parkeerautomaten).

Het bedrag van de belasting is trouwens heel beperkt en berekend per dag dat het schip aan de kade ligt. Van enige concurrentieverstoring bij de niet-BTW-heffing kan zeker geen sprake zijn.

Kan u, aangezien de zienswijze van de BTW-administratie de weg kan openen naar een BTW-heffing op andere gemeentebelastingen, meedelen of de BTW toepasselijk is op deze belasting?

ANTWOORD

Op grond van artikel 6 van het BTW-Wetboek worden de Staat, de gemeenschappen en de gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

De Koning merkt ze evenwel als belastingplichtige aan voor deze werkzaamheden of handelingen voor zover een behandeling als niet- belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.

Het derde lid van voornoemd artikel 6 verleent bovendien de Koning de macht om dergelijke instellingen als belastingplichtige aan te merken voor de handelingen die hij bepaalt voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn.

Het koninklijk besluit nr. 26 van 2 december 1970, met betrekking tot het onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde, somt op beperkende wijze de openbare instellingen op die als belastingplichtige worden aangemerkt, alsmede de handelingen waarvoor zij belastingplichtige zijn.

Op grond van artikel 1,1°, 5e streepje, van bovengenoemd koninklijk besluit, worden de diensten en de regieën van de Staat, van de gemeenschappen, van de gewesten, van de provinciën, van de agglomeraties en van de gemeenten, alsmede de openbare instellingen als BTW-belastingplichtige aangemerkt ten aanzien van de levering van goederen en het verrichten van diensten in het kader van de exploitatie van havens en bevaarbare waterlopen.

De aard of de benaming van de vergoeding die aan de gebruikers van de havenfaciliteiten wordt gevraagd en die derhalve aan de BTW is onderworpen speelt terzake geen enkele rol.

Overigens mag niet uit het oog worden verloren dat de betrokken gemeenten de BTW geheven van de door hen gedane investeringen en de leveringen van goederen en diensten die worden gebruikt voor de belaste exploitatie van bedoelde havens volgens de normale regels in aftrek kunnen brengen.

Andere zogenaamde gemeentebelastingen kunnen aan de BTW onderworpen zijn voor zover zij de tegenprestatie vormen van uitdrukkelijk in het eerder genoemd koninklijk besluit bedoelde handelingen.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 61 voorkomen