Btw in de cultuursector · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1465 3 mei 2023

Zoeken

Btw in de cultuursector

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1465-btw-in-cultuursector-mathieu-bihet-2192

Nummer
1465
Datum
3 mei 2023

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

20 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 1465 van de heer Mathieu Bihet d.d. 03.05.2023

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2022-2023, QRVA 55/113 d.d. 07.06.2023, blz. 188

Vraag nr. 1465 van De heer volksvertegenwoordiger Mathieu Bihet van 03 mei 2023 (Fr.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding:

Btw in de cultuursector.

VRAAG

Actoren uit het werkveld van de cultuursector melden me dat er een zekere flou artistique zou bestaan in verband met de toepassing van de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 44, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek. Het is me immers ter ore gekomen dat in de praktijk alleen natuurlijke personen die vrijstelling zouden kunnen vragen. Volgens de getuigenissen zouden de rechtspersonen de btw in bepaalde gevallen moeten toepassen en in andere gevallen zouden ze mogen kiezen of ze die al dan niet toepassen.

Uit een parlementaire vraag van 2013 blijkt dat "de rechtspersonen zich in de huidige stand van de administratieve doctrine vooralsnog kunnen beroepen op de overgangsregeling om voornoemde vrijstelling al dan niet toe te passen" (vraag nr. 518 van mevrouw Veerle Wouters van 16 juli 2013, Vragen en Antwoorden, Kamer, 2012-2013, nr. 130 van 4 oktober 2013, p. 130). In een recente voorafgaande beslissing wordt het bestaan van die tolerantie bevestigd (voorafgaande beslissing nr. 2020.1512 van 30 juni 2020).

Met betrekking tot de (niet-vrijgestelde) handelingen die aan een verlaagd tarief onderworpen worden, tekent er zich in Europa een tendens af in de zin van een harmonisering van die tarieven. Ten slotte wordt er, op Belgisch niveau, in uw blauwdruk voor een brede belastinghervorming voorgesteld om het tarief van 6 tot 9 % op te trekken, wat in de cultuursector een aanzienlijke impact zou hebben.

1. Bevestigt u dat die administratieve tolerantie tegenwoordig nog bestaat?

2. Kunt u de reikwijdte ervan preciseren? Wordt er in een gedifferentieerd stelsel voor natuurlijke personen en rechtspersonen voorzien?

3. In het verleden is er sprake geweest van een harmonisering van de stelsels van natuurlijke personen en rechtspersonen. Wat is de huidige stand van zaken?

4. Na de zware coronajaren kan men de cultuursector, die enorm geïmpact werd, niet langer in onzekerheid laten.

Kunt u informatie uitgaande van het Europees of het nationaal niveau verstrekken over respectievelijk de harmonisering van de verlaagde tarieven en de verhoging van het verlaagd btw-tarief van 6 tot 9 %?

ANTWOORD

van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 01.06. 2023:

1 tot 3. Wat de dienstverrichters met het juridisch statuut van natuurlijk persoon of feitelijke vereniging en groepering betreft, zijn de vrijstellingen opgenomen in de bepalingen van artikel 44, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek van toepassing indien aan de voorwaarden is voldaan. Oorspronkelijk waren rechtspersonen volgens de administratie uitgesloten van deze bepaling.

Onder invloed van Europese en nationale rechtspraak werd dat standpunt gewijzigd. Ik verwijs onder meer naar de gepubliceerde btw-beslissing nr. E.T.108.828 van 30 september 2005.

Dit gewijzigd standpunt gaf destijds aanleiding tot reacties en voorstellen vanuit de culturele sector waarbij zelfs de mogelijkheid werd geopperd om deze vrijstelling geheel of gedeeltelijk op te heffen. Ter zake moet immers rekening gehouden worden met de tegenstrijdige belangen van de verschillende partijen in de sector: de dienstverrichters zijn meestal voorstander van de belasting die hen een recht op aftrek verleent terwijl de ontvangers van die diensten, inzonderheid de culturele centra die in principe geen recht op aftrek hebben van de btw geheven door de uitvoerende artiesten, meestal voorstanders zijn van de vrijstelling. Ter zake verwijs ik naar het antwoord op de mondelinge vraag nr. 3-5266 van senator Hermans van 24 mei 2006.

Het is gebleken dat er moeilijk een gemeenschappelijk standpunt kon bereikt worden. In die context, werd de implementatie van het nieuwe standpunt op initiatief van de toenmalige minister bevoegd voor Financiën uitgesteld en tenslotte voor onbepaalde tijd opgeschort.

Het betekent dat ten aanzien van rechtspersonen momenteel de toepassing van deze vrijstelling niet wordt geëist, maar de administratie aanvaardt dat ze de vrijstelling wel kunnen toepassen.

4. De Btw-Richtlijn heeft onlangs een ingrijpende wijziging ondergaan wat de tarieven betreft. De richtlijn die deze wijziging meebrengt, is in werking getreden op 6 april 2022. Eerder dan een harmonisatie biedt deze hervorming, al is het dan binnen een specifieke omkadering, een grotere beleidsruimte voor de lidstaten inzake btw-tarieven.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 442 voorkomens

Administratieve doctrine

2

« … vrijstelling niet wordt geëist, maar dat de administratie aanvaardt dat rechtspersonen de vrijstelling wel kunnen toepassen (zie antwoorden op schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.393 van de heer Volksvertegenwoordiger Mathieu Bihet van 14.03.2023 en op schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.465 van de heer Volksvertegenwoordiger Mathieu Bihet van 03.05.2023 ). De personen van wie de diensten van de belasting worden vrijgesteld ingevolge artikel 44, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek, kunnen in drie groepen worden ingedeeld (zie titels 1, 2 en 3, van deze afdeling). 1. Voordrachtgevers Artikel 44, § 2, 8°, eerste … »

Diensten van voordrachtgevers, artiesten en beroepssportbeoefenaars (01.02.2026)Administratieve commentaar20.02.2025

Bekijk de 2 documenten