Kamer, Vragen en Antwoorden, 2012-2013, QRVA 53/130 d.d. 04.10.2013, blz. 130
Vraag nr. 518 van mevrouw de volksvertegenwoordiger Veerle Wouters van 16 juli 2013 (N.) aan de minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken:
Btw-vrijstelling artistieke diensten. - Sociaal bureau voor kunstenaars. - Overgangsregeling.
VRAAG
Artikel 44, §2, 8° van het Btw-Wetboek bepaalt een vrijstelling van btw op artistieke prestaties indien het individuele zelfstandige uitvoerende artiesten betreft die rechtstreeks aan een organisator factureren. In 2006 kon de vrijstelling niet langer afhankelijk gemaakt worden van de juridische vorm waaronder de artiest optreedt, zijnde als natuurlijke of rechtspersoon (Adm. Beslissing van 30 september 2005, nr. E.T. 108.828). Tot op heden wordt deze beslissing nog niet toegepast en staat het de rechtspersoon vrij om te kiezen onder welk belastingstelsel hij wenst te vallen (Btw-Handleiding, nr. 327).
Individuele niet-zelfstandige uitvoerende artiesten doen veelal beroep op een sociaal bureau voor kunstenaars (SBK). In principe betreft het dan een terbeschikkingstelling van personeel, maar de administratie aanvaardt de interpretatie als zou het gaan om een aannemingscontract, waarop geen btw verschuldigd is indien het gaat om een artistieke prestatie zoals bedoeld in het voornoemde artikel van het Btw-Wetboek (Adm. Beslissing van 22 april 2004, nr. E.T.104.710; E.T.104.711 en E.T.104.712).
1. a) Wenst u de overgangsregeling te bestendigen met betrekking tot de keuze door rechtspersonen om al dan niet de vrijstelling van artikel 44, §2, 8° W.Btw toe te passen?
b) Zo ja waarom wel?
c) Zo niet, waarom niet?
2. a) Bevestigt u dat het uitzendbureau vrij van btw mag factureren op de totaliteit van het facturatiebedrag, indien het aannemingscontract betrekking heeft op de handelingen zoals bedoeld in artikel 44, §2, 8° W.Btw?
b) Zo niet, kan het uitzendbureau dan het verlaagde btwtarief van 6% genieten?
3. De Belgische vrijstelling voor culturele diensten is beperkt tot uitvoerende artiesten.
Biedt de Btw-richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde de ruimte om de vrijstelling uit te breiden tot ondersteunende artistieke prestaties door niet-uitvoerende artiesten?
ANTWOORD
van de minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken van 23.09.2013,
1) De gepubliceerde administratieve beslissing nr. E.T.108.828 van 30 september 2005 had tot doel de draagwijdte van de vrijstelling van artikel 44, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek aan de passen aan de Europese en nationale rechtspraak door de vrijstelling uit te breiden tot de handelingen verricht door rechtspersonen.
De mogelijkheid om de diensten van uitvoerende artiesten, ongeacht hun juridische vorm, te belasten werd onderzocht. Uit contacten van de administratie met de diverse betrokken partijen (artiesten, de culturele centra, de organisatoren van manifestaties en dergelijke) is gebleken dat hun respectievelijke belangen sterk uiteenlopend kunnen zijn. Het is derhalve niet eenvoudig de resultaten van die gesprekken samen te vatten in een regeling die voor iedereen aanvaardbaar is.
In afwachting van een definitief standpunt in dat verband werd ervoor geopteerd om de toepassing van voornoemde administratieve beslissing niet te eisen. Aldus kunnen rechtspersonen zich in de huidige stand van de administratieve doctrine vooralsnog beroepen op de overgangsregeling om voornoemde vrijstelling al dan niet toe te passen.
Ik zal mijn administratie evenwel de opdracht geven deze situatie opnieuw te bekijken in overleg met de betrokken sectoren.
2) Een sociaal bureau voor kunstenaars dat optreedt in de hoedanigheid van uitzendbureau, en aldus als werkgever van kunstenaars, verricht in principe aan zijn afnemers een dienst inzake de terbeschikkingstelling van personeel in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek die onderworpen is aan het normaal tarief dat thans 21 pct. bedraagt.
De Administratie aanvaardt evenwel de interpretatie van de partijen als zou het gaan om een aannemingscontract bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Dan is er geen btw verschuldigd wanneer het contract van werkaanneming betrekking heeft op handelingen die bij toepassing van artikel 44, § 2, 8°, van voormeld Wetboek van de btw zijn vrijgesteld. Indien de vrijstelling niet van toepassing is (i.c. indien een rechtspersoon zich op de overgangsregeling beroept om zijn prestaties te belasten) kunnen de in rubriek XXIX van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 inzake btw-tarieven beoogde diensten evenwel het verlaagd btw-tarief van 6 pct. genieten.
3) Neen, artikel 132, lid 1, n), van de Richtlijn 2006/112/ EG beperkt de vrijstelling immers tot bepaalde culturele diensten alsmede nauw daarmee samenhangende goederenleveringen, verricht door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken lidstaat worden erkend.