Vr. en Antw., Kamer, 1994-1995, nr. 152, blz. 16.293-16.295
Terbeschikkingstelling lokalen aan een personeelslid - Woongelegenheid - Voordeel van alle aard - Recht op aftrek.
VRAAG
Een vennootschap die voor het geheel van haar werkzaamheid BTW- plichtig is, laat een nieuwbouw oprichten. Het gebouw is (in ons voorbeeld) voor 90 % bestemd voor de uitoefening van het maatschappelijk doel en voor 10 % voor woonruimte voor de bestuurder. De Administratie der directe belastingen laat de vennootschap weten dat ze de situatie als volgt zal behandelen: (1) als de bestuurder de vennootschap de huurprijs betaalt die de vennootschap van een derde zou krijgen, wordt de bestuurder niet belast; en (2) als de bestuurder geen huur of een belachelijk lage huurprijs betaalt, wordt hij in de personenbelasting belast op het aldus verkregen voordeel in natura, volgens de methode omschreven in artikel 18 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB. In geen van beide gevallen wordt de fiscale situatie van de vennootschap gewijzigd.
Achteraf reageert de BTW-administratie op een heel andere manier: ze verklaart de aftrek van de BTW op het oprichten van het gebouw voor het gedeelte (10 % in ons voorbeeld) van de woonruimte voor de bestuurder a posteriori te zullen weigeren. Die wijziging in de aanslag gaat bovendien gepaard met een boete, en wat dat betreft, zie ik niet goed in welke fout hiermee wordt bestraft. De vennootschap heeft trouwens de indruk dat ze door de Administratie der directe belastingen impliciet op een dwaalspoor werd gebracht.
Wat vindt u ervan dat twee administraties eenzelfde toestand op een andere manier benaderen?
ANTWOORD
In grote lijnen leidt de toekenning van een voordeel in natura door een onderneming aan een personeelslid tot gevolgen waarvan niet kan worden gezegd dat ze niet symmetrisch zijn op het vlak van de inkomstenbelastingen, enerzijds, en van de BTW, anderzijds:
•inzake inkomstenbelastingen wordt het voordeel normaliter belast bij de begunstigde;
•inzake BTW is het voordeel aan de BTW onderworpen, wanneer dat voordeel door het BTW-wetboek beoogde leveringen van goederen of diensten betreft.
Welnu, de terbeschikkingstelling van als woongelegenheid gebruikte lokalen aan een personeelslid of, zoals in casu, aan een bestuursorgaan vormt een handeling die als verhuring van onroerende goederen vrijgesteld is van BTW (artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-wetboek).
Door het BTW-mechanisme zelf, leidt die vrijstelling voor de onderneming automatisch tot het verlies van het recht om de BTW af te trekken die "in een voorgaande fase" verschuldigd is en die geheven wordt van goederen en diensten met betrekking tot de oprichting, het onderhoud of de herstelling van de als woongelegenheid gebruikte lokalen, ten belope van de voor de inkomstenbelasting in aanmerking genomen verhouding wanneer de lokalen deel uitmaken van een gebouw dat tevens wordt gebruikt voor de belastbare economische activiteit van de onderneming.
De desbetreffende fiscale geldboeten zijn krachtens artikel 70, § 1bis, van het BTW-wetboek van rechtswege verschuldigd, uiteraard rekening houdende met de schaal voor de vermindering vastgesteld door het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.
De houding van de twee administraties is dus gerechtvaardigd door het mechanisme zelf van de betrokken belastingen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.