Gebouw. Onroerend goed. Makelaar. Tussenpersoon. Maatstaf van heffing. Tijdstip van verschuldigdheid · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

140 31 maart 1978

Zoeken

Gebouw. Onroerend goed. Makelaar. Tussenpersoon. Maatstaf van heffing. Tijdstip van verschuldigdheidGebouw. Onroerend goed. Makelaar. Tussenpersoon. Maatstaf van heffing. Tijdstip van verschuldigdheid van de BTW. Beroepsoprichter. Toevallige oprichter. Recht op aftrek

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/140-gebouw-onroerend-goed-makelaar-tussenpersoon-e7bc

Nummer
140
Datum
31 maart 1978

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

18 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, G.Z. 1977-1978 blz. 1870

Gebouw - Onroerend goed - Makelaar - Tussenpersoon - Maatstaf van heffing - Tijdstip van verschuldigdheid van de BTW - Beroepsoprichter - Toevallige oprichter - Recht op aftrek

VRAAG

Bepaalde personen hebben een handelsregister met vermelding "onderneming in onroerende goederen, onderneming in goederenvervoer ". Dit laatste werd nooit uitgeoefend.

Deze personen verkopen reeds een paar jaar appartementen op commissie (bij gebrek aan eigen kapitaal). Zij zijn BTW-plichtigen en doen kwartaalaangiften. Zij hebben nu voor eigen rekening een appartement gekocht met het oog op wederverkoop.

Deze aankoop werd als "koopwaar" geboekt en de BTW afgetrokken.

Nu wordt bij controle deze aftrek geweigerd omdat "belanghebbenden tot op heden nog geen gebouwen hebben verkocht met BTW zodat zij niet kunnen aanzien worden als oprichters in de zin van artikel 8, § 1, van het BTW-Wetboek".

Graag vernam ik via het bulletin van Vragen en Antwoorden .

1° of deze personen, alhoewel zij geregeld gebouwen vervreemden, zij het dan op commissie bij gebrek aan eigen middelen, dan geen BTW-plichtigen zijn volgens artikel 8 en kunnen zij de BTW van het als koopwaar geboekte appartement niet aftrekken;

2° of dit geen discriminatie is met beroepsmensen die wel voldoende eigen middelen bezitten ?

ANTWOORD

Het geacht Lid beoogt in zijn vraag personen die BTW-belastingplichtige zijn wegens het geregeld verlenen van tussenkomst als makelaar bij de totstandkoming van verkopen van appartementen.

Wanneer dergelijke personen voor eigen rekening appartementen aankopen met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde met het oog op de wederverkoop ervan, hebben zij niet de hoedanigheid van belastingplichtige als bedoeld bij artikel 8, § 1, van het BTW-Wetboek, aangezien hun geregelde werkzaamheid niet bestaat in het oprichten of het laten oprichten van gebouwen om ze voor, tijdens of na de oprichting geheel of ten dele te vervreemden.

Ten aanzien van de wederverkoop van die gekochte appartementen verkrijgen die personen daarentegen wel de hoedanigheid van belastingplichtige als bedoeld bij artikel 8, § 3, van het Wetboek, op voorwaarde dat zij overeenkomstig artikel 1, § 1, 1° en 2°, van het koninklijk besluit nr. 14, van 3 juli 1970, kennis geven van hun bedoeling de vervreemding te doen met betaling van de BTW.

In dergelijk geval mag de verkoper op de BTW die hij verschuldigd is terzake van de vervreemding van het appartement de BTW in aftrek brengen die betrekking heeft op de verkrijging ervan. Deze aftrek kan worden verricht in een bijzondere aangifte, die overeenkomstig artikel 2 van het genoemde koninklijk besluit nr. 14, bij het controlekantoor waaronder betrokkene ressorteert moet worden ingediend binnen de maand vanaf het tijdstip waarop de belasting wegens de wederverkoop over de volledige maatstaf van heffing van het vervreemde gebouw verschuldigd is geworden.

Hieruit volgt dat er op het stuk van het recht op aftrek van de BTW tussen degenen die belastingplichtige zijn als oprichter van gebouwen en als zodanig bedoeld zijn bij artikel 8, § 1, van het Wetboek, en zij die als wederverkoper belastingplichtige zijn als bedoeld in § 3 van dezelfde bepaling, alleen een verschil bestaat wat het tijdstip betreft waarop dat recht kan worden uitgeoefend.

Overigens dient te worden opgemerkt dat zelfs een belastingplichtige als bedoeld bij artikel 8, § 1, de BTW die hij zou betalen bij de aankoop van een gebouw dat hij voor doorverkoop bestemt, slechts na die wederverkoop in de voorwaarden die zijn gesteld voor toepassing van artikel 8, § 3, in aftrek zou kunnen brengen.

Er is derhalve geen ongelijke fiscale behandeling.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 84 voorkomens
KB nr. 14 art. 11 voorkomen