VRAAG
Het nieuwe belastingstelsel voor kunstwerken dat sinds 1 januari 1995 van toepassing is, bevat een vereiste waarvan de toepassing tot het domein van de utopie behoort. De antiquair die van een particulier een kunstvoorwerp koopt, zou namelijk een document in tweevoud moeten opstellen met de namen en adressen van beide partijen, en door hen ondertekend.
Het is een illusie te denken dat een particulier verkoper die een stuk uit zijn privé-vermogen aan een antiquair verkoopt en die op maximale discretie rekent, zal aanvaarden dat dergelijk document wordt opgesteld en zelfs de antiquair kandidaat-koper de informatie zal geven waarmee laatstgenoemde het document eenzijdig kan opstellen. Dat soort verkopers weigert namelijk enige publiciteit rond de verkoop van een voorwerp dat heel vaak een erfenis van de voorouders is en waarvan de afstand met winstgevend doel een schuldgevoel wekt. Aangezien de eventuele meerwaarde voor de verkoper niet belastbaar is, heeft die houding niets met fiscale fraude te maken. Ze heeft veeleer psychologische motieven.
Dat genoemd document bestaat, wijst vooral op de perfide gevolgen van een ongebreidelde reglementeringsdrang waaraan ambtenaren die niet met de realiteit van de beroepen vertrouwd zijn, concrete vorm hebben gegeven. Het in deze vraag aangeklaagde document zal - als het wordt gehandhaafd - tot een grote parallelle markt voor kunstwerken leiden, waardoor de "professionele" antiquairs een deel van hun omzetcijfer en de Schatkist belangrijke ontvangsten zullen verliezen.
Overweegt u deze zaak te herzien ?
ANTWOORD
De richtlijn 94/5/EG van 14 februari 1994 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van de richtlijn 77/388/EEG, stelt een communautaire regeling van belastingheffing over de winstmarge vast voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten.
Artikel 58, § 4 (nieuw), van het BTW-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 53 van 23 december 1994 met betrekking tot de bijzondere regeling voor belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten zijn de omzetting in Belgisch fiscaal recht van deze richtlijn.
Deze bijzondere regeling wordt toegelicht in de aanschrijving nr. 1 van 2 januari 1995 wat betreft de gebruikte goederen andere dan vervoermiddelen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten en, in de aanschrijving nr. 2 van 2 januari 1995 wat de tweedehandse vervoermiddelen betreft. Deze aanschrijvingen heffen respectievelijk de aanschrijving nr. 1 van 30 januari 1984 met betrekking tot de regeling voor tweedehandse goederen en de aanschrijving nr. 10 van 1 juni 1993 met betrekking tot tweedehandse vervoermiddelen op.
Het maken van het onderscheid tussen de goederen naargelang de herkomst ervan en het voeren van een boekhouding die moet toelaten om de BTW, zowel voor de handelingen verricht onder de normale regeling als voor de handelingen verricht onder de bijzondere regeling toe te passen en te controleren zijn essentiële voorwaarden waaraan de belastingplichtige wederverkoper moet voldoen om een goede werking van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge te waarborgen.
In dat verband is het dan ook onvermijdelijk dat de belastingplichtige wederverkoper, om die regeling toe te kunnen passen, aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.
Zo dient de belastingplichtige wederverkoper met het oog op de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge aan zijn leveranciers een aankoopborderel uit te reiken, behoudens indien deze er zelf toe gehouden zijn hem een factuur of een als zodanig geldend stuk uit te reiken. Dit aankoopborderel moet worden opgemaakt in twee exemplaren, moet worden getekend door de contracterende partijen, en dient eveneens de hoedanigheid van de ondertekenaars te vermelden. Eén van deze exemplaren dient te worden overhandigd aan de leverancier. Deze maatregel is noodzakelijk teneinde zowel de herkomst van deze goederen als hun aankoopprijs te bepalen, alsmede om de overwaardering van deze aankoopprijs met een vermindering van de belastbare winstmarge als doel, te vermijden.
Behalve in geval van samenspanning tussen de partijen ontlast het aankoopborderel de belastingplichtige wederverkoper van de aansprakelijkheid om de hoedanigheid van de leverancier aan te tonen en van het feit dat deze laatste geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van het aan de belastingplichtige wederverkoper geleverde goed.
Het geacht lid zal niet onwetend zijn van het feit dat deze maatregel reeds van kracht was vanaf de instelling van de bijzondere regeling van belastingheffing over de marge die op tweedehandse goederen wordt toegepast sinds de invoering van de BTW in België op 1 januari 1971. Tevens gold dezelfde maatregel voor oorspronkelijke kunstwerken, antiquiteiten en verzamelobjecten, postzegels en oude munten, van 1 maart 1982 tot 31 december 1983, periode gedurende dewelke de margeregeling voor deze goederen van toepassing was.
Meer algemeen, verplicht artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, met ingang van 1 januari 1993, de belastingplichtigen, waaronder de belastingplichtige wederverkopers (met uitsluiting van de belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten die vrijgesteld zijn door artikel 44 van het Wetboek, waarvoor ze geen recht op aftrek hebben), bovendien reeds tot de opmaak van een gelijkaardig stuk voor de goederen en diensten bestemd voor hun economische activiteit die hen zijn geleverd door niet- belastingplichtigen of door belastingplichtigen die uitsluitend door artikel 44 van het BTW-Wetboek vrijgestelde handelingen verrichten en waarvoor geen recht op aftrek bestaat.
Bovendien werden de op het gebied van de gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten van toepassing zijnde reglementaire besluiten, vóór hun inwerkingtreding, besproken met de beroepsfederaties van de betrokken sectoren.
De door het geacht lid in vraag gestelde maatregel, welke uiteindelijk in het kader van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge een herbevestiging is van een inzake BTW aan de belastingplichtigen opgelegde algemene verplichting, is noodzakelijk om een goede werking van deze regeling te waarborgen. De intrekking van de maatregel is derhalve niet gerechtvaardigd.