Begrip "K.M.O.". Wettelijke kwantitatieve criteria in acht te nemen ter afbakening · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

139 27 februari 1986

Zoeken

Begrip "K.M.O.". Wettelijke kwantitatieve criteria in acht te nemen ter afbakeningBegrip "K.M.O.". Wettelijke kwantitatieve criteria in acht te nemen ter afbakening van dit begrip

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/139-begrip-wettelijke-kwantitatieve-criteria-in-12f3

Nummer
139
Datum
27 februari 1986

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

24 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer

Begrip "K.M.O." - Wettelijke kwantitatieve criteria in acht te nemen ter afbakening van dit begrip

VRAAG

In antwoord op mijn vraag van 13 december 1985 (zie bulletin van Vragen en Antwoorden van 7 januari 1986) betreffende een precieze afbakening van het begrip K.M.O. gaf de Minister van Middenstand een aantal wettelijke criteria die de wetgever hanteert. Uit het antwoord blijkt evenwel dat deze criteria niet volledig zijn.

Graag vernam ik dan ook de wetgevingen die de "fiscale" criteria van het begrip K.M.O. aangeven die ondertekend of medeondertekend werden door de Minister van Financiën.

ANTWOORD

De volgende fiscale bepalingen behelzen kwantitatieve criteria die de wetgever in acht neemt ter afbakening van het begrip "K.M.O.".

Inkomstenbelastingen.

1. Artikel 23, § 2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen : bij de aanwerving van bijkomend personeel kan een belastingvrije voorziening voor sociaal passief worden aangelegd door werkgevers die op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin dat bijkomend personeel wordt aangeworven, minder dan 100 werknemers tellen.

2. Artikel 42 ter, § 3, van hetzelfde wetboek : voor de vereenvoudigde gespreide investeringsaftrek komen de ondernemingen in aanmerking die minder dan 20 werknemers tewerkstellen op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht.

3. Artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones (Belgisch Staatsblad van 29 december 1982) : de ondernemingen die aanspraak maken op het genot van de in dit besluit beoogde voordelen mogen niet meer dan 200 werknemers in dienst hebben; bovendien moet hun personeelsbestand binnen twee jaar nadat ze hun werkzaamheden zijn begonnen ten minste 10 werknemers tellen.

4. Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra (Belgisch Staatsblad van 13 januari 1983), gewijzigd door artikel 39 van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen (Belgisch Staatsblad van 29 december 1984) : om in aanmerking te komen voor de ter zake bedoelde voordelen moeten de coördinatiecentra in België, twee jaar na het begin van hun activiteit, ten minste het equivalent van tien voltijdse werknemers in dienst hebben.

5. Artikel 44, § 1, van de sub 4 vermelde wet van 27 december 1984 : om in aanmerking te komen voor de belastingvrijstelling van 150.000 fr. per bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid, moeten de nijverheids-, handels- en landbouwbedrijven minder dan 50 werknemers tewerkstellen op 31 december 1984 of op het einde van het jaar waarin het bedrijf is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt.

BTW.

1. Artikel 56, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde : ten aanzien van door Hem te omschrijven kleine ondernemingen regelt de Koning de wijze waarop de administratie, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanlag vaststelt, wanneer zulks mogelijk is; het koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde, preciseert in zijn artikel 1, § 1, aan welke criteria de belastingplichtigen moeten voldoen om aan een forfait te kunnen worden onderworpen :

1° een fysieke persoon zijn of een vennootschap onder gemeenschappelijke naam, een vennootschap bij wijze van eenvoudige geldschieting of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;

2° beroepswerkzaamheden uitoefenen die voor ten minste 75 percent van de omzet bestaan uit handelingen waarvoor geen verplichting bestaat tot uitreiking van een factuur voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;

3° een jaaromzet hebben die niet meer bedraagt dan twintig miljoen frank, exclusief belasting over de toegevoegde waarde.

2. Het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde : de belastingplichtigen van wie de jaaromzet niet meer bedraagt dan twintig miljoen frank, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, genieten van een eigen regeling daar :

1° ze ontheven zijn van de verplichting een gedetailleerde boekhouding te voeren (art. 12);

2° ze ertoe gehouden zijn kwartaalaangiften in te dienen in afwijking van de normale regeling welke de indiening van maandaangiften voorschrijft (art. 16, 2de lid).

3. Het koninklijk besluit nr. 32 van 14 november 1972 (1) met betrekking tot de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de handelingen verricht tijdens het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar : enkel de belastingplichtigen die maandaangiften indienen moeten dit voorschot betalen. Die verplichting geldt dus niet voor de belastingplichtigen-kwartaalindieners.

NOOT

(1) Z. Revue nr. 10, blz. 7.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 561 voorkomen